ePrivacy and GPDR Cookie Consent by Cookie Consent Familie niet zien tijdens Kerstmis = Ongrondwettelijk! Dien klacht in bij de Procureur des Konings… Vind hieronder een uitgeschreven voorbeeld… – 't Scheldt

Familie niet zien tijdens Kerstmis = Ongrondwettelijk! Dien klacht in bij de Procureur des Konings… Vind hieronder een uitgeschreven voorbeeld…

De coronamaatregelen van de regering die maken dat je je naaste familie niet kan zien op Kerstmis zijn in wezen ongrondwettelijk

De coronamaatregelen van de regering die maken dat je je naaste familie niet kan zien op Kerstmis zijn in wezen ongrondwettelijk. Iedereen die daar ‘schade’ van ondervindt kan tegen deze coronamaatregelen klacht indienen. ‘tScheldt verkreeg van Dhr Luc Lamine, Doctor in de Rechtsgeleerdheid (PhD), een voorbeeld van een klacht die je kan sturen naar de Procureur des Konings.

Het onderstaande voorbeeld kan je kopieëren en zelf gebruiken om een klacht te versturen naar de Procureur des Konings.

Klacht

Vanwege

Voornaam: X (vul hier je voornaam in)
Achternaam: X
Adres: X
Rijksregisternummer: X
Geboorteplaats: X

 

Aan de Heer Procureur des Konings te Brussel
Quatre Brasstraat 4
1000 Brussel

Mijnheer de Procureur,

Betreft:

Klacht tegen de Federale Staat op grond van de artikelen 5, 7bis, laatste lid, en 151 van het Strafwetboek (te Brussel op inzonderheid 28 oktober 2020, 1 november 2020, 28 november 2020 en 11 december 2020, daden van willekeur die inbreuk maken op door de Grondwet gewaarborgde vrijheden en rechten te hebben uitgevoerd, overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van hetzelfde Wetboek en ten minste voor zijn rekening gepleegd door een minister (Binnenlandse Zaken), openbaar ambtenaar en in ieder geval drager van het openbaar gezag, door de uitvaardiging van ministeriële besluiten met coronamaatregelen die inzonderheid het recht op privéleven beperken in strijd met artikel 22, eerste lid, van de Grondwet).

Artikel 15bis van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken (gewijzigd op 1 november 2020, 28 november 2020 en 11 december 2020 – de vier data waarop de laatste misdrijven werden gepleegd – ), ingevoegd bij het ministerieel besluit van 28 november 2020, beperkt het aantal personen die ik thuis mag ontvangen.

Deze bepaling beperkt (“beperkt” is niet hetzelfde als “schendt”) mijn recht op privéleven. Een dergelijke beperking is in België alleen mogelijk bij wet. Het nu opgeheven artikel 17 van hetzelfde ministerieel besluit beperkte eveneens het recht om zijn godsdienst te belijden met een strafbepaling. Ook een dergelijke strafbepaling moest bij wet worden aangenomen.

Volgens artikel 2 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming is alleen de Koning bevoegd om de inzake civiele bescherming te nemen maatregelen van verordenende aard vast te stellen (advies van de Raad van State van 4 juli 1962 bij het voorontwerp van wet betreffende de civiele bescherming, Parl. St., Senaat, 1961 – 1962, nr. 338, p. 15).

De artikelen 33 en 37 van de Grondwet laten niet toe dat de federale wetgever delegatie geeft aan een minister. Het rechtstreeks toewijzen door de wetgever van een bevoegdheid aan een minister komt neer op een ingrijpen van de wetgever in een prerogatief dat in beginsel aan de Koning als hoofd van de federale uitvoerende macht toekomt (Raad van State in advies nr. 55.394/2/314 van 17 maart 2014 in Parl. St., Kamer, 2013 – 2014, DOC 53 3356/004, p. 5 en Raad van State. Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, 2008, pp. 26 – 27).

Wie op grond van de ministeriële besluiten houdende coronamaatregelen wordt vervolgd of met vervolging wordt bedreigd, wordt vervolgd of met vervolging bedreigd in een geval dat niet door de wet is bepaald, zodat inbreuk wordt gemaakt op artikel 12, tweede lid, van de Grondwet.

Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet laat zelfs niet toe dat de federale wetgever de Koning machtigt om koninklijke besluiten te nemen die het privéleven beperken (J. VELAERS, De Grondwet en de Raad van State, afdeling Wetgeving. Vijftig jaar adviezen aan wetgevende vergaderingen, in het licht van de rechtspraak van het Arbitragehof, Maklu, Antwerpen – Apeldoorn, 1999, p. 154 en Verslag van de Commissie voor de Herziening van de Grondwet van de Kamer in Parl. St., Kamer, 1993 – 1994, nr. 1278/2, p. 3). Geen enkele overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven kan plaatsvinden dan krachtens voldoende precieze regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering (arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 39/2013 van 14 maart 2013, B.4.5, dat voorrang heeft op elk arrest van inzonderheid het Hof van Cassatie en – zelfs – van de Raad van State).

De wetgever dient ten minste, volgens VELAERS, ofwel de essentiële bestanddelen van de te nemen maatregelen die het recht op privéleven beperken zelf te bepalen ofwel de delegaties aan te vullen met criteria waardoor de Koning zich zal moeten laten leiden (J. VELAERS, De Grondwet en de Raad van State, p. 154). De Raad van State had dit reeds vóór 1994 gesuggereerd (zie Parl. St., Kamer, 1988 – 1889, nr. 899/1, pp. 101 – 102).

De bestreden ministeriële besluiten zijn niet genomen door de Koning en zijn zeker niet gesteund op een wet die de essentiële bestanddelen van de te nemen maatregelen bepaalt of die criteria vaststelt waardoor de Koning zich zal moeten laten leiden. De (niet meer van toepassing zijnde) wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) liet – in haar artikelen 2, 3 en 5, § 1, 1° – de Koning toe om bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, zonder afbreuk te doen aan de koopkracht van de gezinnen en aan de bestaande sociale bescherming, maatregelen nemen om … de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 onder de bevolking tegen te gaan, met inbegrip van de handhaving van de volksgezondheid en de openbare orde. Een dergelijke wet bevat een zeer belangrijk criterium: aan de koopkracht van de gezinnen mag de Koning geen afbreuk doen. De toenmalige federale Regering heeft van deze wet echter geen gebruik gemaakt. Een daad van misprijzen voor de burgers als kiezers voor de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Artikel 19 van de Grondwet bepaalt: “De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.” Het komt aan de wetgever toe die misdrijven te omschrijven. Hij kan dit niet aan de Koning overlaten (J. VELAERS, De Grondwet en de Raad van State, afdeling wetgeving. Vijftig jaar adviezen aan wetgevende vergaderingen, in het licht van de rechtspraak van het Arbitragehof, Maklu, Antwerpen – Apeldoorn, 1999, p. 140 en advies Raad van State in Parl. St., Senaat, 1982 – 1983, nr. 469/1, p. 42). Wanneer de federale Overheid een maatregel neemt die moet worden beschouwd als een inmenging in het recht om zijn godsdienst te belijden, moet deze maatregel vervat zijn in een wet van het federale Parlement. Artikel 17 van het gelaakte ministerieel besluit, opgeheven bij het ministerieel besluit van 11 december 2020, maakte inbreuk op artikel 19 van de Grondwet en dit ministerieel besluit werd ondertekend te Brussel door een drager van het openbaar gezag en zelfs door een openbaar ambtenaar (zie artikel 31 van de Grondwet: (“… openbare ambtenaren … behoudens … de ministers…”).

Door de schending van de hoger bedoelde grondrechten worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ipso facto geschonden (zie bv. arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 136/2004 van 22 juli 2004, B.5.3). In geval van extreme hoogdringendheid had de federale Regering – voor een écht blijkbaar broodnodig “schokeffect” – de coronamaatregelen bij (afgekondigde) besluitwet kunnen uitvaardigen (zie de aanhef van de besluitwet van 13 mei 1940 betreffende de verscherping der bestraffing van sommige gedurende den tijd van oorlog gepleegde feiten: “Gelet op de onmogelijkheid de Wetgevende Kamers tijdig bijeen te roepen”). Artikel 15 van het EVRM werd niet toegepast en voor de toepassing van dat artikel is een notificatie aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa vereist (EHRM, 18 december 1996, Aksoy t. Turkije, zie inzonderheid § 85). Zelfs tijdens een pandemie kan de Grondwet niet opgeborgen en vergeten worden: “But even in a pandemic, the Constitution cannot be put away and forgotten” (US Supreme Court, Roman Catholic Diocese of Brooklyn, New York v. Andrew M. Cuomo, Governor of New York, Per Curiam, 592 U. S. ____ (2020) en artikel 187 van de Grondwet).

Voor de interpretatie van genoemd artikel 151 van het Strafwetboek – daden van willekeur – verwijs ik veiligheidshalve, in verband met de invloed van het opschrift boven dat artikel op het artikel zelf, naar bv. elfri.be/artikel/opschrift-van-de-wet. Er werd ook geschreven: “Het artikel primeert dus te(n) allen tijde op het opschrift” (vrg-gent.be/media/bestanden/2._analyseren_van_wetgeving.pdf).

Er is volgens een oude(re) rechtsleer bv. sprake van “willekeur” in geval van usurpatie van macht (zie bv. J.-S.-G. NYPELS, Le Code pénal belge, Brussel, 1868, pp. 371 – 372; zie ook Les Novelles, Droit pénal, II, p. 337, nr. 1168 en Pandectes belges, III, 1879, “Acte arbitraire”, p. 278), waarvan minister A. Verlinden als juriste en – volgens De Standaard (“Wie is Annelies Verlinden, het witte konijn van Joachim Coens?”) – topadvocate zeker niet onwetend kon zijn. Volgens het normaal spraakgebruik is “willekeur” een handeling die zich niet aan enige regel buiten de voorkeur van diegene die handelt stoort (ensie.nl/betekenis/willekeur). Volgens Larousse viseert het Franse woord “arbitraire” (willekeur) een daad die afhangt van de wil, het genoegen van een persoon en wordt gesteld in strijd met de wet of het recht: “Qui dépend de la volonté, du bon plaisir de quelqu’un et intervient en violation de la loi ou de la justice”(zoek via “larousse – arbitraire”). Een overheidsmaatregel is, volgens het Hof van Cassatie, “willekeurig … vastgesteld” wanneer “de administratie een rechtsdwaling heeft begaan of zich op onjuiste feiten heeft gebaseerd of nog uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid”

(Cass., 3de kamer, 13 oktober 1997, AR C.96.0089.F, Arr. Cass., 1997, p. 955, nr. 398). De federale Regering en de Minister van Binnenlandse Zaken hebben zich niet aan duidelijke grondwettelijke regels gestoord en hebben ten minste een rechtsdwaling begaan door de coronamaatregelen bij ministerieel besluit uit te vaardigen. Zij hebben dus een daad van willekeur uitgevoerd. De wet zelf (zie artikel 609 van het Wetboek van strafvordering en bv. artikel 23 van de Antiracismewet en artikel 23 van de Antidiscriminatiewet) lijkt deze soepele interpretatie te ondersteunen. De Federale Staat en de ministers hebben hun bevoegdheid overschreden en “wetens en willens” gehandeld. De federale ministers hadden zeker “crimineel inzicht”. Zodra iemand crimineel inzicht heeft in de feiten, kan hij gestraft worden. Wie dus een inhaalmanoeuvre uitvoert, met het inzicht dat de kans op een ongeluk reëel is, mag niet zeggen dat hij “per ongeluk” (i.e. onopzettelijk) een misdrijf beging. Hetzelfde geldt mutatis mutandis in deze zaak. De federale Regering beschikt over alle mogelijkheden om het grondwettelijk recht en de adviezen van de Raad van State te kennen.

Wat de rechtsgrond van de ministeriële besluiten betreft: verordeningen, zoals de bedoelde ministeriële besluiten, moeten gemotiveerd worden en moeten de rechtsgrond vermelden waarop zij gesteund zijn. Ieder besluit van een administratieve overheid, zelfs een reglementair besluit, moet gemotiveerd worden, met opgave van de rechtsgrond, die de hoven en de rechtbanken niet mogen aanvullen (J. VANDE LANOTTE en J. DUJARDIN, Basisbegrippen publiekrecht, Brugge, Die Keure, 2004, 225 en E. DE LUYCK, De toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur bij contractuele personeelsleden in de publieke sector, masterproef van de opleiding ‘Master in de rechten’, UGent, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, academiejaar 2011 – 2012, Promotor: Prof. Willy Van Eeckhoutte, nr. 20, p. 14, waar naar J. VANDE LANOTTE en J. DUJARDIN wordt verwezen en R.v.St., arrest nr. 247.391 van 10 april 2020, p. 9).

In de aanhef van al deze ministeriële besluiten wordt als rechtsgrond aangevoerd: de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, artikel 4; de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, artikelen 11 en 42; de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, artikelen 181, 182 en 187”. Vanaf het ministerieel besluit van 1 november 2020 wordt bovendien artikel 23 van de Grondwet als rechtsgrond vermeld. De rechters mogen dus geen andere rechtsgronden voor de ministeriële besluiten aanvoeren. Maar zelfs indien men – de vorige regels buiten beschouwing latend – in een koninklijk besluit een delegatie aan de minster van Binnenlandse Zaken zou ontdekken, dan nog zou deze delegatie ongrondwettelijk zijn (aldus letterlijk geschreven op <overheid.vlaanderen.be/wetgevingstechniek/delegatie-bij-decreet/wet-aan-een-minister>). De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft inderdaad gesteld: “De Koning kan de uitoefening van zijn reglementaire bevoegdheid verder delegeren aan ministers … Een dergelijke delegatie is echter enkel mogelijk voor maatregelen van bijkomstige of detailmatige aard” (Raad van State. Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, 2008, p. 26 en de verwijzingen aldaar). Artikel 23 van de Grondwet machtigt geen enkele minister om besluiten te nemen.

Het recht op privéleven wordt duidelijk beperkt (“beperkt” is niet hetzelfde als “geschonden”) wanneer bijvoorbeeld een echtpaar hun zoon met zijn vriendin niet in hun huis mogen ontvangen. Deze beperking, die de kern van het recht op privéleven aantast, moet in België gebeuren door een wet in de formele zin. De morele schade wordt voorlopig geraamd op één euro en ik vraag de vervolging van de Federale Staat, drager van het openbaar gezag, wegens daden van federale ministers, die eveneens dragers van het openbaar gezag zijn – en zelfs openbare ambtenaren (cf. wederom artikel 31 van de Grondwet) – en artikel 151 van het Strafwetboek hebben overtreden. Mijn schade is inderdaad hoofdzakelijk van morele aard. Er is een ongrondwettelijke en onwettelijke beperking van mijn recht op privéleven. Ik kan o.a. met Kerstmis mijn zoon en zijn vriendin samen met mijn echtgenote niet in mijn eigen huis ontvangen. Ik kan niet vrij betrekkingen aangaan en onderhouden met mijn medemensen. Ik ben aan huis gekluisterd gezien de sluiting van de horeca en het wegvallen van vrije toegang tot hun sanitaire voorzieningen. Er is geen wet of besluitwet die ik voor het Grondwettelijk Hof kosteloos kan bestrijden, zonder rolrecht of – eventueel – rechtsplegingsvergoeding te moeten betalen, in tegenstelling tot een procedure voor de Raad van State tegen een koninklijk of ministerieel besluit. Teneinde de hoedanigheid van benadeelde persoon en de daarbij behorende rechten te kunnen verkrijgen, vraag ik mededeling van het notitienummer dat aan het te openen dossier zal worden gegeven.

Hoogachtend,

Je naam en handtekening

Datum: X

4 reacties op “Familie niet zien tijdens Kerstmis = Ongrondwettelijk! Dien klacht in bij de Procureur des Konings… Vind hieronder een uitgeschreven voorbeeld…

  1. De Doctor in de Rechtsgeleerdheid schrijft: ‘Ik kan niet vrij betrekkingen aangaan en onderhouden met mijn medemensen.’ Heeft hij er al eens over nagedacht dat er, ook voor dat er sprake was van corona, honderden en honderden beperkingen bestonden op het ‘vrij betrekkingen aangaan en onderhouden met medemensen’? Feitelijke, reglementaire, wettelijke, grondwettelijke en internationaalrechtelijke.
    Hij schrijft: ‘Ik ben aan huis gekluisterd gezien de sluiting van de horeca en het wegvallen van vrije toegang tot hun sanitaire voorzieningen.’ Mag ik dat nu eens vlakaf vertalen: hij kan niet meer buiten komen omdat hij onderweg niet in een café kan gaan pissen.
    Tot slot heeft de auteur nog een belangrijk geschonden recht vergeten te noemen: het recht om naar believen andere mensen te besmetten met een potentieel dodelijk virus, in plaats van zich eventjes in te houden tot het vaccin er is.

    1. Hou op zeg, het is een standaard wintergriep. De statistieken bewijzen dat. ELK virus is potentieel dodelijk – als je er niet tegen kunt of voorheen al op sterven na dood waart. Ga je dan iedereen permanent opsluiten voor “snotvallingen”?

      Het staat U OOK vrij om dan maar binnen te blijven, dan kunt ge onmogelijk besmet worden door een winkelende kamikaze en kunnen WIJ ons leven terug oppakken.

  2. “If you let politicians break the law during an emergency, they will create an emergency in order to break the law.” (patriotpost-us)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *