Sacrale kunst wereldwijd – 't Scheldt

Sacrale kunst wereldwijd

Sacrale kunst wereldwijd

Als toerist in eigen stad of in het buitenland zal je het zeker al meegemaakt hebben. Uit eerbied voor het verleden bezoek je een heilig bouwwerk en dwaalt erin rond als in een museum. Aan historische, technische en esthetische informatie is er geen gebrek: wanneer werd het gebouw gezet, wie was de architect, wie maakte de kunstwerken en wanneer en hoe werden ze gemaakt en uit welk materiaal, welke stijl vertegenwoordigen ze en wat zijn de uiterlijke kenmerken ervan? Op de vraag – als die al gesteld wordt – wat de kunstwerken betekenden voor de mensen uit het verleden, is echter gewoonlijk geen antwoord te vinden. Nochtans laat men door niet te reppen over de betekenis van het kunstwerk vaak ook het hart ervan weg. En natuurlijk is het ook zo dat slechts weinigen bevoegd zijn om over die betekenis te spreken en dat zij die het wel zijn, meestal zeer specialistisch te werk gaan zodat leken (en dat zijn toeristen!) snel zouden afhaken. Eén van die bevoegden was ongetwijfeld Titus Burchardt (1908 – 1984), een in Italië geboren telg van een geslacht uit het Duitstalige Bazel (Zwitserland) die later voor Marokko zou kiezen als land waar hij zich het best thuis voelde. In 1955 schreef hij het boek Von Wesen heiliger Kunst in den Weltreligionen dat helemaal gaat over de betekenis van sacrale kunstwerken en dat, hoewel niet in de eerste plaats individuele kunstwerken aan bod komen, geestelijke achtergronden verschaft van waaruit de betekenis van de werken beter kan begrepen worden. Van dit boek, dat al de wereld rondging, verscheen recent ook een Nederlandse vertaling – Sacrale kunst wereldwijd (overwegend gebaseerd op de Franse versie van het boek uit 1958), gemaakt door de Nederlander Paul Boersma. Van hem is ook de inleiding op het werk, waaruit ik voor dit stukje dankbaar heb geput. Ervan overtuigd dat elke religie een bepaald aspect van de absolute waarheid uitdrukt (‘elke religie is op haar eigen manier waar zonder de waarheid van andere religies te kort te doen’) laat Burckhardt in zijn verhandeling zien dat de geestelijke achtergronden voor elke religie anders zijn. Sacrale kunst heeft dan weer een belangrijke taak in het onderhouden van de vitale kern van een religie. ‘Het verdwijnen van begrip voor sacrale kunst is een teken van verval voor de betreffende religie en ook van achteruitgang van de daarop gevestigde cultuur. Keerzijde van de medaille is dat we door middel van bestudering van de sacrale kunst weer toegang kunnen krijgen tot de geestelijke visie die een religie eigen is’. 

Op dit punt gekomen toont Burckhardt zich een uitstekende gids: academisch maar zonder het spirituele gezichtspunt uit het oog te verliezen en nieuwe ideeën spuiend die ieders inzicht in de wereld kunnen verdiepen. Door verbanden met kosmologie (beeld dat de mensen uit het verleden hadden van de wereld in z’n geheel), metafysica (kennis die zij hadden van wat ten grondslag ligt aan onze materiele wereld) en alchemie (het spirituele proces dat de kunstenaar zelf ondergaat wanneer hij aan het werk is) krijgt de kunst der wereldreligies in het boek op verschillende manieren betekenis. Voornoemde drie verbanden komen zeker aan bod in de eerste hoofdstukken over hindoeïsme en christendom, de twee religies die het uitvoerigst besproken worden. Volgens de auteur is het de hindoeïstische kunst die kan bogen op de oudste ononderbroken traditie en die dient als voorbeeld om het verband te begrijpen dat bestaat tussen de kunst van middeleeuwse beschavingen en die van veel oudere beschavingen. Aan de christelijke kunst zijn twee hoofdstukken gewijd: een over de algemene principes en een over concrete kunstwerken, namelijk drie Romaanse kerkportalen. De hoofdstukken over boeddhisme, islam en Oost-Aziatische landschapschilderkunst zijn korter. Zij geven van de kunst van de betreffende religies enkele karakteristieke trekken en tegelijkertijd ook een goede indruk van de verscheidenheid die op het gebied van de sacrale kunst mogelijk is. Het laatste, controversiële hoofdstuk tenslotte geeft een beschrijving van het proces van verval dat de westerse (sacrale) kunst heeft doorgemaakt sinds de Renaissance (de zogenaamde wedergeboorte). Naast talrijke over de bladzijden verspreide zwart-wit illustraties bevat het boek ook vier katernen met illustraties in kleur. Titus Burckhardt (vert. Paul Boersma) * Sacrale kunst wereldwijd * Uitgeverij Synthese * 207 p * 24,95 euro * ISBN 978 90 6271 123 9. * Het Derde Rijk. De geschiedenis van het nationaalsocialisme ‘Het nationaalsocialisme was een catastrofe voor Duitsland en Europa. Het was geen vergissing of toevallige ontsporing. De ideologie kreeg een concrete vorm tussen 1933 en 1945 in het Derde Rijk, maar kwam voort uit diepe tradities in de geschiedenis van het Duitse volk’.
Kort samengevat is dit de centrale stelling van Georgi Verbeeck (1961), hoogleraar Duitse geschiedenis, verbonden aan de KU Leuven en de Universiteit van Maastricht, in zijn meest recente boek ‘Het Derde Rijk. De geschiedenis van het nationaal-socialisme’ dat door Acco werd uitgegeven.
De twaalf jaren dat de nationaalsocialisten het voor het zeggen hadden betekenden voor de geschiedenis van Duitsland zowel een dieptepunt als een keerpunt. Het aan de macht komen van Adolf Hitler in 1933 – de uitkomst van een lange voorgeschiedenis – gaf de aanzet tot een periode van ongekende gewelddadigheid en van een niet eerder gezien verlies aan mensenlevens in Duitsland en in Europa. De hybris die Hitler aan de macht had gebracht en was voortgekomen uit diepe nationale frustraties, eindigde in een Apocalyps en was zo ingrijpend dat generatiegenoten dit als een ‘Stunde null’ ervaarden. Politiek, maatschappelijk en mentaal zou Duitsland de pagina van deze donkere episode definitief omslaan, en voor een groot deel zelfs afscheid nemen van de hele geschiedenis die eraan voorafging. Was het nationaalsocialisme – het naziregime – in zijn uitwerking en praktische gevolgen uitzonderlijk en onvergelijkbaar, toch vertoonde het ook raakvlakken met vele ontwikkelingen en gebeurtenissen elders op het continent.
Verbeeck doet in ‘Het Derde Rijk’ een poging inzicht te bieden in feiten, gebeurtenissen en ontwikkelingen maar ook in interpretaties en debatten. Steunend op de meest recente inzichten in de geschiedschrijving over deze turbulente periode slaagt hij daar wonderwel in. Wie antwoorden zoekt op vragen als moeten de Duitsers nu gezien worden als een volk van Täter of ook als Opfer, of over de wijze waarop de Holocaust moeten worden herdacht zal geen eensluidend antwoord krijgen daar de discussies daarover n
og niet zijn verstomd. Consensus bestaat er wel over de lessen die voor de toekomst moeten getrokken worden uit de manier waarop democratie en rechtstaat in de jaren dertig van vorige eeuw in ijltempo vergleden in dictatuur en willekeur waarbij toejuiching en bijval eerder de regel dan de uitzondering waren. Begonnen als een belofte van totale vernieuwing eindigde het Derde Rijk immers in één van de grootste beschavingsbreuken. ‘Dat in herinnering houden, en daaruit de lessen trekken om herhaling te vermijden, is’, volgens Verbeeck, ‘de grootste verdienste van de Duitse democratie van vandaag’.
In Het Derde Rijk vindt een breed, historisch geïnteresseerd publiek, een leesbaar overzicht van een cruciale periode in de geschiedenis van Duitsland en Europa. Georgi Verbeeck * Het Derde Rijk. Een geschiedenis van het nationaalsocialisme * Uitgeverij Acco * 249 p * 37,50 euro * ISBN 978 94 6292 726 1. * Tiecelijn 29 Sint-Niklaas viert dit jaar zijn 800ste verjaardag. De Wase stad staat ondermeer bekend voor haar marktplein, het grootste van België. Dat is te danken aan Margaretha II, gravin van Vlaanderen, die in 1248 ten voordele van de stad afstand deed van zes bunders grafelijke grond gelegen ten weste van de kerk, op voorwaarde dat het perceel onverdeeld en onbebouwd zou worden gelaten. En zo geschiedde. De akte van de grondoverdracht werd destijds betekend door Willem van Boudeloo, de klerk van de gravin en, naar alle waarschijnlijkheid, de auteur van het dierenepos ‘Van den vos Reynaerde’. Dit laatste brengt ons in rechte lijn naar het Reynaertgenootschap dat sinds 1988 zijn zetel heeft in Sint-Niklaas en dat, naast veel andere activiteiten, ook de uitgever is van de Tiecelijn Jaar- boeken waarvan onlangs het nummer 9 (het 29ste nummer van Tiecelijn) van de persen rolde. Opnieuw betreft het een fors exemplaar met maar liefst 472 pagina’s, vol zeer leesbare artikels en een keur aan illustraties in zwart-wit of in kleur. En hoewel hij er uiteraard niet alleen voor stond, verdient hoofdredacteur Rik van Daele toch weer een pluim. Stap voor stap de inhoud van de nieuwe Tiecelijn overlopen zou ons te ver leiden. We willen ons dan ook beperken tot enkele blikvangers, zonder de bedoeling de hier niet vermelde bijdragen naar de prullenbak te verwijzen. Integendeel. Ook zij zijn vaak verrassend en spits. Al bij het doornemen van de inhoudstabel wordt duidelijk dat de verschillende auteurs de meest diverse aspecten van de ‘matière renardienne’ behandelen. Enkelen onder hen leiden de lezer(es) binnen in de wonderlijke wereld van vele eeuwen dierenverhalen en fabels: we ontmoeten de wolven en beren in het werk van Egbert van Luik, de sprekende raven in de Hebreeuwse middeleeuwse literaire traditie, de ezel als hoofdrolspeler van een middeleeuwse Catalaanse tekst, de kater en de vossen van Georges Staes… Kennis maken we eveneens met Kaulbachvossen in het koorgestoelte van een Slowaakse kathedraal en op de muren van een Limburgse mergelgrot. Met een archeoloog gaan we graven in de aarde waar vroeger het Hulsterlo uit de Reynaert lag (Kieldracht, Nieuw Namen…) en omdat sporen zoeken een heerlijke bezigheid blijkt te zijn, gaan we ook op zoek naar recente Nederlandstalige vossenliteratuur voor de jeugd en naar Luikse Reynaertproefschriften uit de jaren 40 van vorige eeuw. Sporen moeten ook geïnterpreteerd worden: zo worden we ingewijd in het editeren van Reynaert-teksten en verkennen we de briefwisseling van J.W. Muller bij zijn edities en het apparaat dat W. Gs. Hellinga aanlegde bij de totstandkoming van zijn magistrale werk over de (in 1952) bekende Reynaertteksten voor 1500. Verder dan hun vossenneus lang is wordt door andere auteurs ook gekeken in recensies van werk van dichter Peter Holvoet-Hanssen en grafisch ontwerpster en dichteres Lies van Gasse en in een bijdrage over de vos in het werk van  de Duitse Nobelprijswinnares Herta Müller die dan weer gekoppeld wordt aan andere moderne auteurs die de dictatuur beschrijven. Veel plezier maar weer eens, op de vossenjacht! Rik van Daele (red.) * Tiecelijn 29 Uitgave van het Reynaertgenootschap * 472 p * 25 of 20 euro naargelang lidmaatschap. Meer inlichtingen: Nijverheidsstraat 32, 9100 Sint-Niklaas (tel. 03777 90 15 – [email protected]) Katelijne

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *