PRIJS – 't Scheldt

PRIJS

Het moet ten tijde van de Hoekse en Kabeljauwse twisten zijn geweest dat voor het eerst werd geopperd Bob Dylan de Nobelprijs voor de Literatuur toe te kennen. Of zulks geschiedde nadat Willem V krankzinnig was geworden, of toen de halve elite in de war was geraakt omdat Jacoba van Beieren die gevoelige nederlaag bij de Slag van Brouwershaven leed, daar wil ik vanaf wezen. Maar het is een feit dat ik destijds al dacht: nee hè.De jaren verstreken. Telkens dacht ik: ‘O Grote Regelaar, ik besef dat zelfs u niet in staat bent de leden van de Zweedse Academie te stoppen, maar laat het alsublieft niet gebeuren’.Steeds weer werd mijn wens verhoord. De ene keer werd de prijs gewonnen door een revolutionaire experimentele dichter uit Congo-Brazzaville, de andere keer werd de prijs gewonnen door een één-benige feministische negerin uit Sao Tomé en Principe, de derde maal door een socialistische dorpsverteller van de Marshalleilanden in wiens van eenvoud en barmhartigheid doorwrochte werk de levensstrijd van het plattelandsindividu, maar eigenlijk van ons allemaal centraal stond. Ze hadden één gemeenschappelijk kenmerk: niemand had ooit van hen gehoord. Dat maakte het leven van wereldberoemdheden als Harry Mulisch, Cees Nooteboom en al die andere Nederlandse schrijvers die al jarenlang smachtend op een Nobelprijs voor de Literatuur zaten te wachten er weliswaar niet eenvoudiger op, maar mij vervulde het altijd van grote blijdschap.Bob Dylan had ’m immers niet gekregen.Dan was alles goed.Laat ik, voordat ik verder ga, één ding duidelijk maken: ik houd van Bob Dylan. Juist omdat het geen literatuur was, misschien wel, hebben zijn songs mij meer gevormd dan mijn lessen Nederlands, met die verplichte leeslijsten op de middelbare school. ‘It ain’t me, babe / No, no, no, it ain’t me babe / It ain’t me you’re lookin for’: het was jarenlang mijn lijflied. En nog steeds lopen de rillingen mij over het lijf wanneer ik ‘Like a rolling stone’ en ‘Mr. Tambourine Man’ hoor.Duidelijk?Mooi.En toen werd het 13 oktober 2016. Eindelijk werd Bob Dylan niet meer genoemd bij de kanshebbers. Het was Philip Roth-tijd, begreep ik uit de verhalen. En als hij het niet zou worden, dan Don

DeLillo. Ik zou vrede hebben gehad met allebei. En wat geschiedt? Krijgt Bob Dylan alsnog de Nobelprijs voor Literatuur! Terwijl hij nog nooit een boek heeft geschreven!Ja hoor, noem mij maar aartsconservatief, of weet ik veel wat. Ik ben echter wie ik ben en meld u daarom hierbij dat ik nu niet alleen meer de Nobelprijs voor de Vrede heb afgeschreven, na al die miskleunen, maar ook die voor de Literatuur wegens totaal doorgeslagen babyboomerisme.Ik geef met een buiging het slotwoord aan de Schotse schrijver Irvine Welsh (‘Trainspotting’): ‘Ik ben een fan van Dylan, maar dit is een slechte nostalgieprijs gewrongen uit de ranzige prostaten van seniele, bazelende hippies’.***Wij danken Rob Hoogland en De Telegraaf voor de toelating tot overname van deze column.***

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *