Extra nummer Aafjes – 't Scheldt

Extra nummer Aafjes

Yoesef was een Koptische ziekenbroeder, maar hij deed met zijn aanwezig-heid in het Victoria Hospitaal noch het Koptisch geloof, noch het ambt van ziekenbroeder veel eer aan. Hij was een geboren vrek en kruimeldief. Ik geloof dat de moedermelk die hij als zuigeling dronk reeds gestolen was. Wat erger was: hij pleegde op een uiterst geraffineerde wijze chantage. Had een zieke zich ook maar eenmaal op minder vleiende wijze over een dokter of een verpleegster uitgelaten, dan viel hij voorgoed ten prooi aan Yoesefs hebzucht. Yoesef dreigde dan zijn slachtoffer bij voortduring het gehoorde aan hoger-hand over te brengen en tussen de loslippigheid en de laatste adem van de patiënt hoopte zich allengs een molshoop op van afgeperst kleingeld.

Het was deze Yoesef waarvoor mijn lijfwacht Hassan mij zo ernstig gewaar-schuwd had met één zijner geliefkoosde spreuken: ‘Een slang baart altijd een slang…’
Ook Ibrahim, de Nubische portier, had geen goed woord over voor de Kopt. Althans: wanneer deze ver genoeg uit de buurt was. Wanneer Ibrahim het onderwerp Yoesef aansneed, dan vertrok hij zijn gezicht tot een reusachtige beweeglijke grijns, zijn ogen begonnen wonderlijk te rollen in hun kassen, alsof een onzichtbare hand met zijn gezicht speelde als met een knikkerdoosje en via zijn dikke lippen daalde een bijna sensuele spottirade neer op het (overigens afwezige) hoofd van Yoesef. ‘Die Kopt, sir, deugt niet… Heeft nooit gedeugd… Zal nooit deugen’, begon Ibrahim dan. ‘Bah, de staart van een hond blijft altijd krom al giet je hem in honderd vormen. Steek hem een jaar in een riet, sir, hij komt er gekruld uit’.
Na zulks gezegd te hebben wreef Ibrahim dan zijn handen behoedzaam langs elkander alsof hij modder van zijn vingertoppen verwijderde en die op de grond wierp. Het viel mij daarbij steeds weer op, dat zijn handen zoveel lichter waren dan zijn gelaatskleur; zij waren bijna suikerrose, vergeleken bij zijn chocoladebruin gezicht. Rose apenhanden leken het, gestoken in nieuwe, iets te wijde handschoenen van mensenhuid.
Een schavuit is het’, vervolgde hij dan. ‘Hoe kan het ook anders. Zijn vader is een Kopt. Zijn moeder is een Kopt. En je kunt geen zijden beurs maken uit het oor van een zeug, is ‘t niet,sir?’
Ibrahim placht zijn karakterschets onveranderlijk te besluiten met een welgemeende waarschuwing: ‘Past u maar op voor hem, sir. Hij zwijgt een jaar. Maar dan, sir, vloekt hij…’
Tweemaal in de week deed Yoesef de oogkliniek. De oogkliniek was een schier onvindbaar gedeelte van het Victoria Hospitaal. Ik zou haar waarschijnlijk ook nimmer gevonden hebben, was ik niet op zekere dag het slachtoffer geworden van de in het Oosten onvermijdelijke conjunctivitis. Mijn ontstoken oogleden brachten mij in het heiligdom van de vrouwelijke Deense arts Frau Doktor Karin L.
Op zekere dag namelijk bemerkte de directrice van het Victoria Hospitaal dat ik nauwelijks meer tegen het licht in kon kijken. ‘U heeft conjunctivitis’, zei ze, ‘laat dat in hemelsnaam verzorgen’.
Waar?’, vroeg ik.
Ik kan u wel het adres van één der grote specialisten van Cairo geven’, antwoordde ze, ‘maar u kunt net zo goed naar onze kliniek gaan. Daar werkt een Deense arts. Zij doet alles voor niets. Merkwaardig’, voegde zij er pein-zend aan toe. ‘Ze gelooft niets. Een straatsteen gelooft meer. Maar als ik ooit een heilige zag, dan is zij het’. (Later bemerkte ik dat de diep-religieuze directrice en de volmaakte heiden die een Deense was, wederkerig een diepe, bijna mannelijke sympathie voor elkander koesterden, waarvan zij, evenals mannen overigens, nimmer iets aan elkaar lieten blijken.)
Zo deed ik mijn intrede in de kliniek van de Deense. Het werd mij spoedig duidelijk dat de directrice niet overdreven had. Nooit vroeg Frau Doktor L. aan één harer patiënten geld. Het gevolg was dat haar kliniek een legendarische vermaardheid kreeg in de achterbuurten van Cairo en dat de heffe des volks kind bij haar aan huis was. Toen ik haar kliniek voor het eerst betrad keek Doktor L. verwonderd op. Zij was blijkbaar niet meer gewend aan Europese bezoekers, overstelpt als zij werd door niet-betalende armoedzaaiers.
Wilt u eerst geholpen worden?’, vroeg zij vriendelijk toen zij mij ontwaarde, temidden van de Breugheliaanse stoet van oogzieken die voor haar deur samendromde. ‘Neen, dat wil ik niet’, antwoordde ik haar in het Duits. ‘Ik wacht liever mijn beurt af, al is het alleen maar om op mijn gemak uw patiënten te kunnen bestuderen. Ik heb er allang op gevlast iets meer over de oogziekten van het nabije Oosten te weten te komen’.
Mijn antwoord scheen haar te bevallen. Zij knikte althans goedkeurend toen ik mij op de stoep zette temidden van de tientallen die rondom op het trottoir zaten gehurkt in de laatste schemer van hun ooglicht.
Ik bemerkte alras dat Yoesef zich in deze Breugheliaanse wereld thuisvoelde als een kat in een pakhuis vol muizen. Het geduld van de oosterling mag dan spreekwoordelijk zijn, ook dat geduld kent zijn grens. Deze eenvoudige waarheid wist Yoesef in klinkende munt om te zetten. Frau Doktor L. mocht dan haar patiënten liefdevol voor niets behandelen, Yoesef exploiteerde buiten haar deur de algemeen menselijke zucht naar voorrang op onnavolg-bare wijze. De meest biedende ging voor. Wie niets te bieden had bleef eeuwig de laatste van de rij. Een groter tegenstelling dan tussen de baatzuch-tige Yoesef en de onbaatzuchtige Deense was niet denkbaar. Die tegenstel-ling was in feite zo groot dat het gedrag van Yoesef geheel aan de Deense ontging. Het lag zelfs als veronderstelling geheel buiten haar gezichtskring. Zij was een forse sterke vrouw met grijs haar dat als zilveren metaaldraad strak om haar hoofd getrokken lag. Zij werkte onafgebroken, was tegenover iedere patiënt beminnelijk, maar zag hem nauwelijks. Zij zag alleen de kwaal. Zij trok in haar kleine kliniek dag in dag uit, van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat, tegen de duizendkoppige draak der oogziekten ten strijde, zonder de minste illusie dat zij het ondier ooit onschadelijk zou maken. Zij deed haar werk als een huisvrouw die stof afneemt en dit doet in de perfecte wetenschap dat ze ook de volgende morgen weer op dezelfde wijze stof moet afnemen. Idealisme vond zij, geloof ik, erger dan alle oogziekten bij elkaar. Toen ik de eerste keer in de stoel plaats nam om behandeld te worden vroeg Doktor L., terwijl zij mij een bijtende vloeistof in de ogen spoot, op ironische toon: ‘Interesseert u zich werkelijk voor oogziekten?’
Alhoewel het niet het ideale moment was om dieper op de zaak in te gaan antwoordde ik prompt: ‘Zeker. Ik interesseer me in het bijzonder voor trachoom. 95 % van de Egyptische bevolking heeft immers trachoom?’
Ik had er geen benul van wat trachoom precies was, ik had een en ander zojuist gelezen in een mededeling in de hal van haar eigen kliniek, maar zij bemerkte mijn bluf niet en zei: ‘Komt u dan voortaan maar hier zitten als u behandeld moet worden, dan zal ik u wel een en ander laten zien’.
Nu, ik kreeg het een en ander te zien. Frau Doktor L. bleek een ideale privaatdocente. Zij liet mij plaats nemen naast de stoel der patiënten, al spoedig beval zij mij automatisch haar de instrumenten aan te reiken, en na enige tijd had ik ongewild Yoesef geheel uit de buurt van de stoel verdreven. Zijn taak bestond er nog slechts in de wachtenden één voor één binnen te laten. Dit zou allemaal niet zo erg geweest zijn, ware Yoesefs betekenis door deze gang van zaken in de ogen der patiënten niet aanmerkelijk gedaald. Eerst was hij een wezen nauw verwant aan een dokter, nu was hij portier geworden en deze degradatie was wel degelijk van invloed op de inkomsten die hij zich onrechtmatig wist te verschaffen. Men betaalde in het gevecht om voorrang klaarblijkelijk minder aan een bellejongen dan aan een semi-arts.
Voor ik goed en wel besefte wat er gebeurd was, liep ik in een witte dokters-jas, reikte instrumenten aan, bediende de lampen en deelde medicijnen uit, voor het merendeel volkomen waardeloze spoelwaters voor het oog. Want onze eenvoudige patiënten waren er bijna niet toe te brengen deze spoelwa-ters aan te wenden tot het doel waarvoor zij vervaardigd waren. Nauwelijks bevonden zij zich buiten de kliniek of zij ledigden de medicijnfles in één teug in de vaste veronderstelling dat de gehele dosis ineens via het keelgat geno-men, wonderen zou verrichten.
Onze kliniek kwam uit op een brede volksstraat, aan de overzijde waarvan zich een der donkerste en geheimzinnigste Arabische buurten bevond. De buurt was eigenlijk een dorp dat jaren geleden bij de uitbreiding van de stad in de nieuwbouw beklemd was geraakt en dat nu zijn eigenzinnig en zonderling leven binnen de stad voortzette als een fossiel in een barnsteen. Deze volksbuurt, één der hoofdleveranciers van onze kliniek, was berucht om haar ongure elementen. Zij boeide mij vanaf de eerste dag om haar duistere, bijna onderaardse bestaan dat zij leidde temidden van de grote stadshuizen. In normale omstandigheden zou ik mij echter niet licht in deze omgeving gewaagd hebben. Nu ik echter ‘oogarts’ geworden was en een deel van de achting en eerbied die Frau Dokter L. in deze obscure wijk genoot ook op mijn witte jas afstraalde, overwon ik gemakkelijk mijn bezwaren.
De ontvangst die mij in de achterbuurt ten deel viel overtrof iedere verwach-ting. Is een Egyptenaar van nature reeds de gastvrijheid zelve, hier kwam ook nog de dankbaarheid voor jarenlange onbaatzuchtige hulp aan het woord. Frau Doktor L. zou zich nimmer in deze buurt gewaagd hebben. Nu ik mij er waagde viel mij alle genegenheid ten deel die haar rechtens toekwam. Ik werd de obscure binnenhuizen ingetrokken en gedwongen er gast te zijn. Er was geen bruiloft of ik moest er, op straffe van bruid en bruidegom dodelijk te beledigen, aanwezig zijn. Dit alles was mij zeer welkom want het stelde mij in de gelegenheid de eenvoudige gewoonten van het volk van nabij te bestude-ren en mijn collectie volksliederen en spreekwoorden met nieuwe aan te vullen. Het bleek mij alras dat ik in deze vreemde buurt een geheimzinnige schat gevonden had. Een schat die Yoesef mij echter op een geraffineerde wijze afhandig wist te maken.
Op zekere dag verscheen er een moeder in de kliniek, met op haar schouder een kind. Zij behoorde tot de bevolking van het geheimzinnige dorp dat zich achter de kliniek bevond. Toen zij plaats moest nemen in de stoel om behan-deld te worden zette zij het kind in een hoek van het vertrek. Mijn aandacht werd terstond getrokken door de prachtige amulettenketting die het kind om de hals droeg.
halssnoer
Er was van alles in de ketting verwerkt: muizentanden, Syrische, Engelse en Franse muntstukken, Roomse Madonna-medailles, een kruisje van een rozenkrans, vruchtenpitten, schelpen, kinkhoorntjes – om het kind tegen het boze oog te beschermen. Ik liet de zonderlinge ketting vol belangstelling door mijn handen gaan, niet bemerkend hoe de moeder met vreesachtige aandacht mijn handelswijze volgde. Plotseling zag ik dat de kleine onwel werd. Zijn hoofdje was slap omlaag gezakt op zijn schoudertje. Ik riep Frau Doktor L. Eén enkele oogopslag overtuigde haar er van dat het kind doodziek was. Zij beval de moeder ijlings met het kind huiswaarts te keren. Toen de vrouw verdwenen was, zei Frau Doktor L. tegen mij: ‘Zag u hoe angstig de moeder keek toen u de amuletten van haar kind betastte? Het is maar goed dat u een witte jas draagt. Nu weet ze niet beter of u bent een dokter. Anders zou zij u er zeker van beschuldigen dat u de amuletten van haar kind krachte-loos gemaakt heeft en dat u het boze oog bezit’.
Toen ik opkeek zag ik hoe Yoesef aandachtig ons gesprek volgde. Zodra hij bemerkte dat ik naar hem keek verscheen er een langzame betekenisvolle glimlach op zijn gezicht. Maar plotseling scheen hij zich te bezinnen, hij hief snel zijn hand voor zijn gezicht en ving daarin zijn glimlach, als ware deze een lastige vlieg.bespieden
Een paar dagen later hield Yoesef mij in de tuin staande. ‘Het kind met de amuletten is gestorven’, begon hij kort en zakelijk. ‘De hele buurt weet dat het onwel werd toen u de amuletten vasthield’.
Zo. En wat?’, vroeg ik, voelend dat de slang bezig was een slang te baren.
Ze rekenen het u niet aan, omdat zij denken dat u een dokter bent’, vervolgde Yoesef. ‘Maar het feit blijft’, vervolgde hij langzaam, ‘dat u geen dokter bent. U helpt alleen maar Frau Dokter L. De doorn krijgt water omwille van de roos…’
Je hebt gelijk Yoesef effendi’, zei ik. ‘Maar wat wil je eigenlijk?’
Wel sir, ik lijd grote geldelijke schade omdat u mij van mijn plaats verdrongen heeft. Ik had gaarne dat u mij die schade vergoeden zou!’
Ik denk er niet aan!’, antwoordde ik woedend. ‘Als je doelt op het geld dat je de patiënten afhandig maakt, weet dan voor eens en al dat dat onrechtmatig verkregen geld is’.
Kalm, sir’, suste Yoesef, ‘ik zeg alleen maar: wees broeders maar houdt de rekening bij. Als u mij mijn verliezen niet vergoedt is het mijn plicht aan de buurt waar u zo graag komt te laten weten dat u in ‘t geheel geen dokter bent. Ik moet die mensen wel waarschuwen, sir. Want wie de amuletten van een kind krachteloos maakt heeft het boze oog. Wat u deed was zeer onverstan-dig. U had moeten bedenken dat u geendokter was. Als uw huis van glas is, gooi dan niet met stenen naar de mensen’.
Je kunt me nog veel meer vertellen Yoesef effendi’, zei ik. ‘Je bent een schurk. Je hoort hier niet thuis’.
Tut, tut, tut’, zei de ziekenbroeder, ‘bidt niet voor de vernietiging van de boom die bezig is u zijn schaduw te verlenen’. ‘Kras op!’, zei ik.
Hij verdween met een listig lachje. Ik hoorde nog hoe hij tussen zijn tanden mompelde: ‘De ui groeide en werd rond en vergat dat hij een ui was…’
Ik moet u waarschuwen, Herr A.’, zei de directrice enkele dagen later. ‘Ik heb gehoord dat u die achterbuurt achter de oogkliniek frequenteert. Dat is een gevaarlijke buurt. Vooral nu u een amulet heeft aangeraakt van een kind dat kort daarop gestorven is. Zoiets wordt bijna beschouwd als een aanslag op het leven’.
Maar hoe weet u dat?’, vroeg ik verwonderd.
Dat weet ik van onze werksters uit die buurt. Men dacht eerst dat u dokter was. Maar nu men er achter gekomen is dat u een gewoon patiënt bent hier, zijn de mensen daar woedend. Blijft u in Godsnaam uit hun buurt…’
Ik beloofde het haar.
De volgende dag zei ik tot Frau Doktor L.: ‘Ik geloof niet dat het goed is dat ik mij nog langer in de oogkliniek ophoud. Er is iets gebeurd…’
Wat gebeurd?’, vroeg zij verwonderd.
Ik vertelde haar de gehele geschiedenis. Toen ik haar mededeling deed van Yoesefs financiële praktijken werd zij zo wit als haar doktersjas. Zonder een woord te verspillen begaf zij zich naar buiten waar Yoesef zich te midden van de schare patiënten ophield. Door de ruit van de kliniek zag ik hoe zij om stilte verzocht en toen luidkeels aan de zieken vroeg of het waar was dat hij tegen betaling voorrang verleende. Eerst knikte men bevestigend, maar dit groeide al spoedig uit tot luide kreten van niet langer onderdrukte verontwaardiging.
Wat nu geschiedde, geschiedde zeer snel.
pak slaag
De forse Frau Doktor L. stroopte haar witte mouwen op, stapte resoluut op de ineenkrimpende Yoesef toe en sloeg hem met een vuistslag tegen het plaveisel. Als een troep jachthonden vielen de bijna blinden en halfblinden over de Kopt heen en een hagelbui van vuistslagen daalde op hem neer. Een ogenblik later kwam Frau Doktor L. binnen alsof er niets gebeurd was.
Wat zei hij ook weer het laatste tegen u?’, vroeg ze geamuseerd. ‘De ui groeide en werd rond en vergat dat hij een ui was’, antwoordde ik.
Nu, hij zal van vandaag af weten dat hij een ui is en niet meer dan dat’, zei ze, haar handen wrijvend. ‘Hij komt hier nooit meer binnen. Ach, Herr A., roept u even de volgende patiënt’, besloot ze.
En ineens bemerkte ik dat ik niet alleen Yoesef verdrongen had als assistent van Frau Doktor L. Ik was hem nu ook opgevolgd als bellejongen. Met een zucht, om de ironie van het lot, opende ik de deur en riep: ‘Volgende patiënt’. Lambertus Jacobus Johannes (Bertus) Aafjes (1914-1993) wordt in smalhoutNederland nog steeds graag gelezen. Hij behoort tot de geliefde klassiekers in de Nederlandse letterkunde.
Tot de belangrijkste oorzaken van de onveranderde populariteit van Aafjes behoren o.m. zijn ongekunstelde maar beeldende taalgebruik en zijn voorliefde voor uitzonderlijke oosterse situaties en exotische reisbelevenissen. Men moet daarbij niet vergeten dat Aafjes schreef in een tijd dat voor de meeste van zijn landgenoten het maken van verre reizen nog zeer ongebruikelijk was. De doorsnee Nederlander kwam in de jaren 50 niet veel verder dan de Noordzee kust. België gold toen echt wel als ‘Het buitenland’.
Zijn gemakkelijke leesbare taal met een rijkdom aan boeiende uitdrukkingen is zonder twijfel het resultaat van zijn jeugd in een volksbuurt in Amsterdam-Oost. Zulks in combinatie met een orthodox-rooms-katholieke opvoeding en een opleiding tot priester.
Aafjes studeerde ook archeologie en werd uiteindelijk journalist.
Het hierbij gepubliceerde, in Egypte spelende, korte verhaal over de Koptische intrigant Yoesef vormt een typisch voorbeeld van Aafjes boeiende schrijfstijl. Prof. Dr. Bob. Smalhout
Zomer 2008

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *