969 Ephi – 't Scheldt

969 Ephi

Hoe omschrijf je dat opkomende gevoel dat je benen dreigt te verlammen en je fiets tot een nutteloos instrument degradeert? Ik heb natuurlijk heel wat meegemaakt in de loop der jaren; huilen van de pijn als na 80 of 100 kilometer je spieren verzuren en duizend tanden in je bovenbenen gaan bijten. Of zo afzien in een klim, dat je op de top van de berg moet overgeven. Maar een echte hongerklop was me altijd bespaard gebleven. Ik las er wel over en wist nog van die memorabele fringale van Erik Breukink in de Giro.Toen de eerste tekenen van de hongerklop zich afgelopen zondag manifesteerden, graaide ik routineus in de achterzak van mijn wielershirt. Ik voelde wel de gladde iPhone, de sleutelbos, wat bankbiljetten, maar geen mueslireepjes. Over de warme zoute druppels op mijn voorhoofd rolde een golfje koud zweet: vergeten. Ik had net de klim van Monte Magno achter de rug, zeker een kilometer of dertig van huis. Maar zonder brandstof kun je de terugreis wel vergeten. Naar het schijnt veroorzaakt hongerklop een imponerende ravage in je lijf en je krijgt je trappers niet meer rond.Op zondag zit Italië tussen de middag resoluut op slot. Bovendien fietste ik in een redelijk afgelegen gebied. Ik kon hooguit een medefietser tot stoppen dwingen en bij hem om een portie calorieën gaan bedelen. Beschamend. Ik besloot mijn benen tot aan het einde van de afdaling stil te houden. Na drie kilometer doken de daken van een piepklein gehucht op. Niet meer dan vier of vijf huizen. Ik kon het wonder niet geloven: op de gevel van het middelste stond ‘Panificio geschreven en de deur van deze plattelandsbakker stond uitnodigend open. Toen ik het boerenwinkeltje binnen stapte, begreep ik dat er iets niet klopte. De schappen waren volstrekt leeg maar op de toonbank lag een schaal vol dolce: croissants, lune di mele (Italiaanse appelflappen) enzovoort. Alsof men op mijn komst was voorbereid.

Een besnorde man stormde via een achterdeur het winkeltje binnen. Hij maakte een fatalistisch gebaar en zei met een zwaar Toscaans accent: ‘Op zondag zijn we dicht’. Ik begon te jammeren dat ik binnen tien minuten van de honger ging sterven – als hij me geen dolce wilde verkopen moest hij maar gelijk een ambulanza gaan bellen.
Maar, zei de bakker, die dolce waren van gisteren en dienden als versiering. Hij pakte een croissant en probeerde zijn duim erin te priemen: ‘Zie je, net cement’.
Voor hij kon reageren, griste ik twee lune di mele van de schaal en stak een briefje van twintig euro onder zijn neus. Hij werd woest. Wat? Geld aannemen voor dat oude spul? Hij duwde me met die dolce nog in mijn hand naar buiten.
Het waren de lekkerste lune di mele die ik ooit heb gegeten. Zo lekker dat ik terug naar de boerenbakker wilde om het briefje van twintig euro in zijn zak te stoppen. Maar nu ik eenmaal mijn maag had gevuld, besloot ik weer op de fiets te stappen: een wonder valt niet in geld uit te drukken
***

Onze dank aan Sylvain Ephimenco en de krant Trouw voor hun toelating tot overname van deze column.
***

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *