924 Dia – 't Scheldt

924 Dia

In het begin van de 20ste eeuw was ‘den diamant’ een zeer vooruitstrevende sector op sociaal gebied. De toen pas geboren A.D.B. (Antwerpse Diamantbewerkers Bond) vocht voor het 8 uren stelsel, zondagrust enz. Maar de piepjonge vakbond had bijna geen geld om een staking aan te kunnen. Hiervoor moest er eerst centjes verdiend worden.

In 1904 moesten de plannen tot uitvoering gebracht worden. Zij belegden een samenkomst met enkele vooraanstaanden van de socialistische partij en met afgevaardigden van de socialistische coöperatieven.
Het dagelijkse bestuur van de A.D.B. bracht de plannen ter sprake en toonde de noodzakelijkheid aan om met alle middelen de belangen van de leden te dienen. Zij moesten zich op technisch gebied laten voorlichten en kwamen in contact met personen die financieel konden helpen.
Toen de bestuurders dit probleem hadden opgelost konden zij van wal steken en ving het belangrijkste werk aan: gronden kopen, bouwen, machines en vervoermateriaal aanschaffen, kortom duizend en één vraagstukken die allemaal opgelost dienden te worden om tot het beoogde doel, de oprichting van een flinke moderne bakkerij, te geraken.

Er werd besloten, dat het kapitaal zou bijeengebracht worden onder de vorm van aandelen. Zij wendden zich tot enige hun goedgezinde industriëlen, onder wie de diamantair Louis Coetermans, De Beukelaer (van de biscuitfabrieken) en nog vele anderen. Allen werden aandeelhouders en met hen de diamantbewerkers die wilden medewerken aan het tot stand brengen van een werklozenkas door middel van een coöperatieve.

Zij kochten de grond op de hoek van het Moorkensplein en de Maréestraat, bij het gemeentehuis van Borgerhout. De gebouwen die zij daar oprichtten, warendiam ruim en voldeden geheel aan het gestelde doel.
De coöperatieve werd ‘Adamas‘ (diamant in het Grieks) gedoopt en de bestuurders waren overtuigd dat het een gouden zaak voor de A.D.B. en zijn leden zou worden. Later, bij de liquidatie van de maatschappij, heeft de gemeente Borgerhout de gebouwen gekocht en er een politiebureel en het brandweerkorps in ondergebracht.

De beheerders waren in de mening dat éénmaal het gebouw klaar en de machines en ovens opgesteld waren, de rest van zelf zou komen. Maar het bleek niet zo gesmeerd te lopen als zij dachten. De grote moeilijkheden doken op met personeel, uitbreiding van kapitaal en duizend andere zaken die niemand voorzien had en die hun het leven zuur maakten. Zij waren aangewezen op de raadgevingen van personen die soms nog minder kennis van brood en van bakkerij hadden dan zij.

Er werd water en bloed gezweet om de zaak op gang te brengen, zij dachten voldoende krediet te hebben, maar als de dag daar was dat er moest gebakken worden, zaten zij zonder geld! Enkele dagen vóór het aansteken van de ovens kwamen zij tot de akelige vaststelling dat zij geen centiem baar geld meer hadden om de eerste hoeveelheid bloem te doen leveren die nodig was om met het bakken te beginnen. Zij wisten niet meer van welk hout pijlen te maken. Bij de A.D.B. was niets meer voorhanden, daar hadden zij met hun aandelen en het terrein alles opgeslorpt.
De beheerders van de coöperatieve Adamas waren allen zeer terneergeslagen bij het horen van de toestand. Alles was klaar, een prachtige bakkerij tot in de puntjes verzorgd en nu dat zij van wal moesten steken, zaten zij in de penarie en hadden geen geld om meel te kopen.

De voorzitter van de beheerraad, Louis de Cock, een flink bondsman die meeleefde met zijn organisatie en overal bij was waar het een A.D.B. actie betrof, deed het voorstel dat zij, als beheerders, het goede voorbeeld moesten geven en bijeenbrengen wat zij konden.
Er moest geld zijn voor de aankoop van meel. Louis de Cock kwam ‘s anderendaags met de juwelen van zijn vrouw om die in de ‘Berg‘ of pandjeshuis te zetten en hij had bovendien nog een flinke som geld ook. Weer anderen kwamen met geleend geld of met hun eigen spaarcentjes. Dit alles bij elkaar bleek voldoende om bloem te kopen.

‘s Zaterdags werd de bloem tegen contante betaling gekocht. ‘s Zondags werd er gebakken en was er leven in de bakkerij maar ook daarbuiten. Honderden diamantbewerkers kwamen een kijkje nemen en bleven wachten tot het eerste brood uit de oven kwam. Het werd gekeurd en het mooiste en beste brood bevonden. Alleman was tevreden en hoopvol gestemd. Zij zagen met spanning de maandag tegemoet, de dag dat ‘onze karren’ voor het eerst zouden uitrijden om hun cliënten hun lekker versgebakken brood te bezorgen. Een groot aantal beheerders en anderen boden zich aan om behulpzaam te zijn. Er was hulp in overvloed en op maandag ving de eerste tocht aan. Hoe zou de verkoop zijn? Zouden alle ingeschreven klanten hun woord houden? Zouden de uitvoerders al hun klanten kunnen bereiken?
Maandagavond wisten zij het resultaat. Jan Bartels, tijdelijk directeur, zat op een klein bankje, het hoofd in de handen, het hart vol weemoed: in de bakkerij waren duizend broden teruggebracht.
Mensen die beloofden klant te worden en geen brood moesten hebben, anderen die te ver af woonden en die dag niet konden bereikt worden…
Zever en jeremiades. De eerste dag was geen succes.

Niettegenstaande allerlei moeilijkheden, tegenslagen, kleine en vooral grote vitterijen, tegen- in plaats van medewerking van sommigen, werd Adamas toch het lichaam dat als grondslag zou dienen voor de eerste werklozenkas in de moderne vakbeweging van België.
***
Foto’s: Herman Brocatus
Op de achtergrond het vroegere gemeentehuis van Borgerhout.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *