922 Ephi – 't Scheldt

922 Ephi

Ik keek naar het gegroefde gezicht van de vallende kampioen en dacht onmiddellijk aan het jongetje van veertig jaar terug. Ja, ongeveer tien jaar moet ik zijn geweest toen ik het schoolrapport in de ‘panière‘ liet vallen.

De panière?
Dat was een soort langwerpige kist met een klep erboven die verticaal aan de muur bij het buitenhek was bevestigd. Daarin pasten twee of drie stokbroden. Iedere dag reed de ambulante bakker met zijn witte Renault 4L langs ons huis en keek wat op het schrijfleitje, hangend in de broodkist, was geschreven. Daarna deponeerde hij de bestelling in de panière, meestal een of twee baguettes. Mijn schoolrapport was ronduit slecht en toen ik het angstig liet vallen op de bodem van de panière, was ik ervan overtuigd dat dit de beste plek was om mijn onvermogen te verbergen.
De dagen gingen voorbij en de rust keerde terug in mijn hoofd. Ik ging zelf geloven in mijn krakkemikkig zelfverzonnen fabeltje: als niemand het schoolrapport kon vinden en lezen dan was het alsof het nooit had bestaan.
De feiten, hoe ongunstig ook, bleken plots maakbaar. Met deze illusie groeide ook de zelfverzekerdheid en de arrogantie: ik vond mezelf onoverwinnelijk. Na een week begon de meester ongeduldig te worden: waar bleef dat rapportje dat vader en moeder hadden moeten tekenen? Ik loog dat ik het vergeten was. En iedere ochtend opnieuw loog ik tegen de meester. Uiteindelijk moest ik voor straf overblijven, totdat mijn ouders mij kwamen ophalen.
Maar gedurende een goede week vond ik telkens weer een nieuwe manier om te ontsnappen. De meester was woest. Hij sloot mij in het klaslokaal op, terwijl hij mijn kameraadjes naar de schoolpoort bracht. Ik klom uit het raam, arriveerde alweer te laat thuis en besloot ziek te worden.
De volgende dag vond mijn moeder op de bodem van de panière een twee weken oud schoolrapport. De klap die ik ‘s avonds van mijn vader kreeg was hard. Maar al die sterretjes waren niets vergeleken met de vernedering die mij te wachten stond toen ik voor de hele klas mijn panière-avonturen moest gaan opbiechten.
Op die dag moet ik ongeveer hetzelfde gezicht hebben gehad als Lance Armstrong bij de aankomst bergop: vermoeid na de verloren strijd, verongelijkt en gefrustreerd.

Sinds het afgelopen najaar deed de gewezen kampioen de hele wereld geloven dat hij in staat was de jonge generatie renners te vernederen. Hij groeide gestaag in zijn eigen illusie. Treiterde en kleineerde zijn rivalen. Zijn eigen slechte schoolrapport had hij in de panière van onze goedgelovigheid verborgen. Toen hij al bij de eerste etappe, een tijdrit, niet verder dan een tiende plaats kwam loog hij dat het allemaal goed ging komen. Twee weken lang, na iedere aankomst, ontsnapte hij stiekem door het raam van de Tour de France. Totdat een Spaanse adelaar het rapport van Lance uit de panière viste en ermee ging zwaaien. Vijf kilometer lang. Zonder een greintje medelij voor de gevallen illusionist.

 

Onze dank aan Sylvain Ephimenco en de krant Trouw voor hun toelating tot overname van deze column eerder in Trouw verschenen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *