919 Goov – 't Scheldt

919 Goov

‘Soms verbaasde ik mij erover hoe weinig besef hij had van financiën, of van de waarde van geld. Voor zichzelf en voor de partij. Het mag dan ook geen wonder heten dat we op de partij in een collectieve lachbui waren geschoten toen we in de jaren tachtig vernamen dat Verhofstadt minister van Budget zou worden. Zo goed hadden we zelden gelachen’.

Aan het woord is de Brusselse advocaat Leo Goovaerts, gewezen penningmeester van de PVV (VLD) en gewezen senator van deze partij.

De Verhofstadt waar hij het over heeft is wel degelijk het ‘joenk’ Guy Verhofstadt, niet zo lang geleden door een paar doordrammers nog bestempeld als de ‘Redder des Vaderlands’.
Het boek waaruit voornoemde passage komt draagt de veelzeggende titel ‘Wat ik zag was ontnuchterend‘ en verhaalt de ‘passage’ van Goovaerts als penningmeester bij de VLD.

Binnengehaald door zijn vroegere stagiair Patrick Dewael was zijn opdracht de financiën van de partij weer gezond te maken, waarin hij ook slaagde.
Maar niet alleen de partij bleek moeilijkheden te hebben, ook haar leider Guy Verhofstadt, zal financieel in de knoei.
Een ‘lening’ van twee miljoen BEF (een kleine 50 000 euro) zou hem uit de nood helpen. Goovaerts schoot het geld voor, maar kreeg later te horen dat hij een ‘schenking’ aan zijn baas had gedaan en dat hij naar zijn geld kon fluiten.
Protest leidde tot zijn ‘defenestratie’ uit de VLD. Tot op heden loopt de rechtszaak omtrent dezer kwestie.

Tien jaar lang zweeg Goovaerts tot hij het begin dit jaar tijd vond een balans op te maken, ‘Een terugblik op die toch wel woelige periode van toen, met open vizier en zonder zweem van wraak’, zoals hij zelf zegt. Van rancune getuigt het boek inderdaad niet, al is de auteur zeker niet mals voor het politieke wereldje waarin hij ongeveer twintig jaar vertoefde en dat hij aan de lezer(es) presenteert in een hele reeks korte verhaaltjes (petites histoires).

Wie houdt van (liberale) roddels moet ‘Wat ik zag was ontnuchterend‘ zeker lezen.
Wie nog gelooft (en wil blijven geloven) in het nobele en edele in de Belgische politiek, schaft zich het best niet aan.
Een voorsmaakje: ‘In de Wetstraat besteedt een doorsnee toppoliticus meer tijd aan het prikkelen, jennen of liefst elimineren van zijn tegenstrever dan aan het organiseren van de samenleving. Een begin van erkentelijkheid bestaat niet in de politiek. Dat kan niet, is niet gezond, want het is een teken van zwakte’.

Van enkele liberale excellenties borstelt Goovaerts ook een ruw portret: Karel de Gucht is de ‘Onverbeterlijke ruziemaker (‘Als er iemand af te maken is, is de Karel altijd bij de pinken’), Patrick Dewael ‘spreekt altijd op gezag van iemand anders’, Herman de Croo ‘is wel geestig, maar krijgt zelden de kans om iets ten gronde toe te voegen’, Bart Somers ‘mag even keffen, maar moet vooral luisteren en gehoorzamen’.

Ook de ‘blauwe korte rokjes’ verschijnen nu en dan ten tonele, maar hier BEYSworden (spijtig misschien) geen namen genoemd…
Een man die Goovaerts wel respecteerde was Ward Beysen, ‘een eerlijk man, die door ‘vrienden’ misleid werd en die in een klimaat van psychologische ellende, druk en politieke destabilisering veel te vroeg een eind aan zijn leven heeft gemaakt’.

Guy Verhofstadt is nu fractieleider geworden van de Europese liberalen. ‘Wat ik zag was ontnuchterend‘ weze voor zijn medestanders in het Europese parlement een waarschuwing al zullen velen onder hen al wel weten wat voor vlees zij in de kuip hebben.

Leo Goovaerts * Wat ik zag was ontnuchterend * Uitg. Van Halewijck * 208 p * € 17,50 * ISBN 978 90 5617 929 8.
***

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *