906 Ephi – 't Scheldt

906 Ephi

Onderlinge liefde is bij ons, de familieleden, ver te zoeken. Op verjaardagen blijven vele stoelen leeg. En de verre neef uit het gemeenschappelijke krantenrek hoeft in zware tijden niet op compassie te rekenen. Complimenteus uit zijn werk citeren is vanzelfsprekend taboe. Als hij er wegens slijtage, plagiaat of andersoortig faux pas door zijn broodheer wordt uitgebonjourd, hoor je in de wandelgangen hooguit wat geruis. En daarachter een amper ingehouden zucht van tevredenheid. Zelfs wanneer die neef, met een mes tussen de ribben, languit op de stoep komt te liggen, druipt hier en daar oud zeer uit de toetsenborden. Had hij er niet zelf omgevraagd? Meer dan bij bloedverwanten, vormen bij inktverwanten nijd en rivaliteit de hoeksteen van hun familiegeschiedenis. Sommige disputen zijn legendarisch geworden. Andere in de kattenbak verloren gegaan. Maar soms zijn er een paar zinnen in andermans werk die je niet meer kunt negeren. Omdat de wrede juistheid ervan je dreigt te verlammen. Alsof lood om je tikvingers wordt gegoten. Je trekt het jezelf aan. En dan kun je niets anders doen dan uit andermans werk te citeren. ‘Hoe is het leven nu op gulphoogte? 

Uw gulp.
Mijn hoogte’
. Deze woorden waren op de voorpagina van de Volkskrant gedrukt, rechts onderaan, precies een week geleden. De auteur beschreef hoe het hem vergaat om voortaan in een rolstoel te moeten leven. Een columnist met kanker. Een columnist die naar zijn balkon voortgeduwd moet worden. Martin Bril.
Ik las hem niet vaak. Domweg omdat we tot verschillende takken van de familie behoren. Hij, de droge impressionist met een oog voor de directe nabijheid en het grijpbare onbeduidende.
Ik, de onrustige graver op zoek naar de Graal die men nooit vindt.
Maar de laatste tijd viel mijn oog op de grimmige koppen die zijn stukjes coiffeerden. Kanker. Chemo. Rolstoel. Vrouwentranen. Kankercircus, schreef ik. En ik kreeg spijt. Hij, de flamboyante stukjesschrijver die plotseling zichzelf als een nachtkaars neerzet. Zonder schroom of exhibitionisme. Met weinig woorden.
‘Dat heb je wel eens. Weg ingeslagen, geen terug mogelijk’. In de familie blijft het stil. Men observeert, wacht en zwijgt. Daarom ook die behoefte bij mij om de verlamming af te schudden en de stilte te verbreken. Eergisteren kreeg hij een literaire prijs die hij niet zelf kwam ophalen. Niet kon ophalen. Niets voor hem.
En sinds afgelopen zaterdag lijken zijn stukjes opgedroogd.
Zijn rechter beneden hoek op de voorpagina van de Volkskrant wordt met wat trivialiteit opgevuld. Bezorgingnummers, adressen, reclame. En dan een zinnetje in het blauwe. ‘Vandaag geen Martin Bril’. Een nietszeggende woordencombinatie.
Prozaïsch en functioneel. Deze tekst werd om 17.00 uur woensdag geschreven. Het is nu 22.37 uur. Net ging de bel van mijn 06-nummer. Gevolgd door een paar woorden: Martin Bril is overleden.
De leegte, verpletterend. En dan een ander gevoel: dat ik met dit stuk dat hij niet meer zal kunnen lezen, veel te laat ben geweest.
***

Wij danken Sylvain Ephimenco en het dagblad Trouw voor de toelating tot overname van de column.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *