868 Smalhout – 't Scheldt

868 Smalhout

Al tientallen jaren woedt er op alle ni-veaus een heftige discussie over het verkrijgen van donoren voor orgaan-transplantatie. Dit komt omdat trans-plantatie van organen in de loop der jaren min of meer tot de normale me-dische praktijk is gaan behoren. Vijf-tig jaar geleden gold de transplantatie als een buitengewone medische stunt, die slechts zelden tot succes leidde. Dit kwam omdat men toen nog onvol-doende afwist van onder meer afsto-tingsreacties waardoor veel getrans-planteerde organen na een geslaagde operatie alsnog verloren gingen.
De eerste succesvolle niertransplan-tatie geschiedde in 1954 dan ook bij een eeneiige tweeling, die, zoals be-kend, dezelfde weefseltypering heb-ben. Pas in 1967 gelukte het de Zuid-Afrikaanse chirurg Christiaan Bar-nard als eerste een succesvolle hart-transplantatie te verrichten. Thans ech-ter zijn de meeste medisch-technische problemen redelijk overwonnen en is transplantatie min of meer routinege-neeskunde geworden. En dus klampt iedere zware nier-, hart- of longpatiënt zich aan die voor hem/haar mogelijk levensreddende ingreep vast.

CRITERIA
Maar het probleem is al jarenlang dat er te weinig donoren zijn. Drie jaar geleden was er daarom via de zender SBS 6 een grootscheepse Nationale Donoractie. Die werd een groot suc-ces. Er kwamen 266 000 positieve reacties die resulteerden in 133 000 aanmeldingen voor orgaandonatie. Dat leek een geweldig resultaat. Maar in de praktijk viel dat hard tegen, want een orgaandonor moet aan strenge criteria voldoen.
Zo mag een donor niet geleden heb-ben aan kwaadaardige ziekten zoals uitgezaaide vormen van kanker. Ook een infectie maakt organen onge-schikt voor transplantatie. Er zijn ook leeftijdsgrenzen. En verder worden orga-nen na het overlijden van de donor al zeer snel ongeschikt voor transplantatie. Dus verkeersslacht-offers die op straat al overlijden, zijn per definitie al ongeschikt voor het afstaan van nieren, lever, hart of alvleesklier. Alleen hun botweefsel, hoornvliezen of huid is dan nog bruik-baar.
In het kort komt het erop neer dat voor-al patiënten die onder medische su-pervisie in een ziekenhuis overlijden als donor kunnen fungeren. En dan vooral slachtoffers van een hersen-bloeding of van een hersentrauma, bij welke het lichaam nog functioneert, maar die, zoals dat heet, hersendood zijn. Al dit soort beperkingen heeft er-toe geleid dat van de 130 000 poten-tiële donoren uit 2005 er slechts zes over-bleven voor daadwerkelijke do-natie. Daarbij komt ook nog dat door de steeds verbeterde technische vei-ligheidsmaatregelen, zoals kreukelzo-nes, airbags, veiligheidsriemen en motorhelmen, er veel minder hersen-beschadigingen voorkomen.

Veel orgaandonaties gaan ook de mist in doordat er soms onhandig of zelfs tactloos wordt gecommuniceerd tus-sen de behandelende arts en de fami-lie van de potentiële donor.
Ook zijn veel mensen huiverig om zich als donor op te geven omdat ze bang zijn na een eventueel ongeval ten on-rechte te worden doodverklaard waar-na hun organen zouden worden verwij-derd voor transplantatie.
In zeventig procent van de gevallen weigert de familie van de patiënt om toestemming te geven. Dit meestal omdat ze donatie zien als een schen-ding van het lichaam van hun gestor-ven geliefde.
Vandaar dat iedere politicus die zich bezighoudt met orgaantransplantatie zich begeeft op een politiek-ethisch mijnenveld.
Maar wie de angst en de spanning kent van patiënten die met een zeer beperkte levensverwachting op een wachtlijst staan, soms jaren wachtend op het verlossende telefoontje dat er misschien weer hoop voor ze is, weet dat er maar één oplossing is.
En dat is het systeem dat onder meer in België wordt toegepast. Namelijk dat iedereen in principe donor is, tenzij hij of zij dat nadrukkelijk en schriftelijk heeft afgewezen. Dit systeem werd door de Commissie-Terlouw aanbe-volen. Maar minister Klink weigert dat in te voeren.

HARDE KLAP
Zijn weigering is een harde klap voor alle hart-, long- en nierpatiënten die thans slechts met kunst- en vliegwerk, zoals dialyse, beademing en zuurstof, moeizaam in leven worden gehouden. Aan de andere kant is zijn houding begrijpelijk.
Minister Klink is geen arts. Hij ziet geen patiënten. Hij kent niet uit eigen ervaring hun wanhoop en die van hun familie. Maar hij is, als alle mensen die na de oorlog geboren zijn, huiverig voor autoritaire maatregelen die dwin-gend door een overheid worden opge-legd.
Bovendien heeft hij als zeer gelovig mens op het gebied van donorwerving vermoedelijk ook nog enkele religieuze horden te nemen.
Maar wellicht kan een tekst uit het Liedboek der Kerken hem zicht ver-schaffen op de lijdensweg van de wachtlijstpatiënt. Het is gezang 273. Dat gaat over zieken en stervenden in hun uitzichtloze ellende. Het beschrijft treffend het lijden van de honderden mensen die de eindeloze transplanta-tiewachtlijst niet hebben overleefd.
Heer, herinner U de namen van hen, die gestorven zijn, en vergeet niet, dat ze kwamen langs de straten van de pijn, langs de wegen van het lijden, door het woud der eenzaamheid naar het dag en nacht verbeide Vaderhuis, hun toebereid’. (Mattheus Verdaas-donk (1918- 1966).

***

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *