1274 Hfd – 't Scheldt

1274 Hfd

… Ik wil hier toch een lans breken voor wat meer inventiviteit en durf op dat vlak. De controleur moet niet het onderste uit de kan willen halen als het op belastingen, boeten en intresten aankomt. Onze belastingdruk is zo hoog dat enige ‘toegeeflijkheid’ op dat punt vaak de enig juiste houding is. Maar precies omdat de belastingrekening zo hoog kan oplopen, willen sommige belastingplichtigen liever een deel van hun informatie achterhouden. Op dat vlak is er minder reden tot ‘inschikkelijkheid’. Als er kaarten worden achtergehouden wordt het een pokerspel. Dat wordt vaak gewonnen door diegene die het hardst kan bluffen of minstens door degene die zich niet laat afbluffen.

In de achtdelige VRT-reeks De Fiscus hebben we enkele van die blufspelletjes mooi in beeld kunnen brengen. Het ging dan weliswaar niet over de grootschalige poker die de financiële wereld met de fiscus speelt.
Maar keren we terug tot de vergelijking tussen pers en fiscus die ons hier bezighoudt. De ‘open markt’ om overal te zoeken en rond te vragen is groot; dat geldt zowel voor een journalist als voor een controleur. Voor de controleurs komt daar nog een welomschreven stukje staatsmacht bij. De ondernemer bijvoorbeeld moet ze binnenlaten in zijn bedrijf en ook antwoorden op schriftelijke vragen. Die plicht om informatie te geven is op alle mogelijke manieren beperkt in ruimte en tijd. Bijvoorbeeld de drie- of zevenjarige termijnen of de beperkte toegang onder voorwaarden tot bankgegevens. Sommigen zien daar een grote beperking in van de mogelijkheden van de fiscus. Informatie die de burger niet moet geven, bijvoorbeeld een rekening van 10 jaar geleden, zou de controleur ook niet mogen krijgen. Dat staat nergens!
Een controleur had bij een bank gegevens opgevraagd en de bank had bij haar antwoord rekeningen van de verkeerde klant meegegeven. ‘Vergissing van de bank in uw voordeel’, zal de controleur bij zichzelf gedacht hebben. Het Hof van Cassatie heeft jaren later bevestigd dat hij die informatie niet onrechtmatig gekregen had. Voor de burger was het dan wel; ‘vergissing van de bank; ga terug naar start’.
Nog een dooddoener: alleen schriftelijke vragen moeten verplicht beantwoord worden; sommigen argumenteren dan dat antwoorden op mondelinge vragen ongeldig zijn. Zo zouden we nog een tijdje kunnen doorgaan.
En tenslotte het allergrootste verschil tussen een redactie en de belastingdienst: het al dan niet delen van informatie. Iedereen bij de krant heeft graag eens een primeur en daarom worden bronnen en inlichtingen niet zomaar met elkaar gedeeld. Bij de belastingdienst is het de bedoeling dat alles gedeeld wordt. Wat voor de btw binnenkomt bijvoorbeeld, mag ook dienen voor de inkomstenbelastingen, en omgekeerd. Ook daar wordt telkens weer twijfel gezaaid als zou ieder ambtenaar alleen voor de eigen deur mogen vegen. Soms had hier en daar een rechter daar oren naar en telkens opnieuw bekrachtigde de wetgever dan de uitwisseling van gegevens, een eerste keer reeds in 1948, een laatste keer nog met art. 153 Programmawet 23 december 2009: ‘Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting’.Ik weet niet of een hoofdredacteur gelukkig is als de sportredactie ook politiek nieuws binnenbrengt, maar bij ons in Gent werd zoiets aangemoedigd, al moesten nieuwe medewerkers die uit Brussel overkwamen telkens wel van die mogelijkheid en de wenselijkheid ervan overtuigd worden.
De belastingdienst heeft (of is) dus één groot inlichtingenpatrimonium, dat voortkomt van miljoenen aangiften, loonlijsten en btw-listings, kadastergegevens, jaarrekeningen, aangevuld met door duizenden ambtenaren opgezochte en opgevraagde informatie. Vanuit het buitenland waaien dezer dagen ook honderdduizenden ‘records’ binnen over eigendommen en rekeningen van Belgen in andere landen. De tijd dat een advocaat nog durfde beweren dat we geen gegevens uit het Luxemburgse staatsblad mochten gebruiken omdat we dat ‘onrechtmatig’ in het buitenland gekregen hadden, is nog niet zolang voorbij. Maar hij is voorbij; de wereld is één grote informatiebron geworden, ook voor de fiscus.
Nu nog er iets mee willen doen.*Dit artikel verscheen eerder in Trends.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *