1244 Rob Hoogland – 't Scheldt

1244 Rob Hoogland

KLASSE

Dat het niet zo mocht wezen, deed me niet eens zoveel. Na de eerste set was het immers al duidelijk: Boom Boom Mertens was te geblesseerd om Whining Williams – sorry, altijd een liefhebber van Angelsaksische alliteratie geweest – de weg naar de finale van Roland Garros te kunnen versperren. De kuit van Kiki, het meest besproken Nederlandse lichaamsdeel van de week, spartelde te veel tegen. Al kwam ze potdorie nog bewonderenswaardig dichtbij. Klasse, Kiki, je bent een on-Hollandse vechtjas. Klasse Raemon, je bent een on-Hollandse coach. Dat wil ik wel eerst even gezegd hebben.Andere dingen deden me wél iets gedurende de halve finale, de eerste vrouwenwedstrijd sinds jaren die ik van de eerste tot en met de laatste klap volgde. En dat terwijl ik vroeger namens De Telegraaf op de tribune zat. Bijvoorbeeld tijdens mijn allereerste Roland Garros, die van 1977, uitslag van de vrouwenfinale: Mima Jausovec (Joegoslavië) – Florentsa Mihai (Roemenië) 6-2 6-7 6-1.Om nu te zeggen dat ik mij de dames nog zo voor de geest kan halen, eeehh… nee. Maar één ding weet ik zeker: het waren niet van die toneelspeelsters als Serena Williams, wier wedstrijdprestaties vrijwel ongeëvenaard zijn, maar wier gedrag op de baan mij enorm irriteerde. Neem de volgens mij zelfs tot in Marseille hoorbare oerkreet die zij slaakte, staande aan het net, toen zij op haar vierde matchpoint kwam. Die diende slechts één doel: intimidatie van haar tegenstandster, die de vorige drie achteloos had weggespeeld.Die plotselinge aanvallen van aanstelleritis, bovendien, als Williams zich al hinkend tussen de punten voortbewoog. Zag u dat diertje dat haar op een gegeven moment vlak naast de servicelijn inhaalde? Dat was een buikpotige uit de stam van weekdieren. Een slak, inderdaad. Daar gaat mijn moeder, 24 uur nadat ze op 85-jarige leeftijd een nieuwe heup had gekregen, dacht ik. Als ik Serena was had ik de komedie via het uitroepen van ‘A rollator! My queendom for a rollator!’ van een nieuwe scene voorzien, maar dat durfde zij blijkbaar niet aan.En dan dat publiek. Dat Parijse publiek. Brrr. Toen ik Roland Garros nog versloeg, waren mijn collega’s en ik al snel tot de conclusie gekomen dat er toch nog een slag volk bestond dat erger was dan de Zweden, die destijds algemeen als de meest irritante Europeanen werden beschouwd.. Wij bedoelde de Parijzenaren, ten eerste omdat zij zich rondom een tennisbaan nooit wisten te gedragen, ten tweede omdat zij hun dejeuner – de lunch – zelfs voor een halve finale vrouwen weigerden te laten schieten.Niks veranderd dus, in die 39 jaar. Beschamend hoe leeg de tribune van het Court Philippe Chatrier tijdens Williams-Bertens was. Maar Kiki, wij zaten er, thuis voor de buis, met z’n allen, dolenthousiast. Volgend jaar pak je die komediante gewoon.***

BOODSCHAPWe zijn er, wen er maar aan. Die mededeling wierpen drie jonge, extremistische moslims Nederland voor de voeten in NRC Handelsblad, tegenwoordig kennelijk vooral slijpsteen voor de islamitische geest.
Dat ze er zijn, moslims bedoel ik, wist ik natuurlijk al. Mijn ogen zijn namelijk best nog goed en aan een gehoorapparaat ben ik nog steeds niet toe, wat mij soms best spijt wanneer de azan door de straten galmt. Wel heb ik af en toe oriëntatieproblemen. Dan wandel ik door een Amsterdamse stadswijk en denk ik in Casablanca te zijn. Misschien moet ik daar toch eens met de geriater over praten. Goedbeschouwd is de boodschap ‘Wen er maar aan’ eveneens overbodig.
Ik ben allang aan de aanwezigheid van moslims in onze samenleving gewend. Ik verkeer ook met hen. Mijn Amsterdamse bakker, bijvoorbeeld, komt uit Turkije. Gisteren vertelde hij dat hij twee kinderen heeft en dat genoeg vindt. Laat Erdogan het maar niet horen, grijnsde ik. Hij grijnsde mee. Hij werkt zeven dagen per week en zijn motto is leven en laten leven. Probleemloos geïntegreerd, die man. Hoewel hij voor die drie jonge ’activisten’ waarschijnlijk een ‘huismoslim’ of een ‘assimilatieslaaf’ is.De heertjes heten Nourdeen Wildeman, Salaheddine Benchikhi en Abou Hafs en ‘pikken het niet meer dat moslims een andere behandeling krijgen dan andere Nederlanders’. Ze zijn de ‘dubbele standaard’ zat, voelen zich als tweederangsburgers behandeld en vergelijken hun strijd met die van de burgerrechtenbeweging van Malcolm X in de VS. En NRC Handelsblad gaf ze, serieus, kritiekloos alle ruimte. O, die eeuwige woede en verongelijktheid.Ik zal u de details van hun in agressie verpakte, hypocriete klaagzang verder maar besparen, wijs er nog wel op dat Salaheddine Benchikhi de man is die Tofik Dibi tijdens een gesprek verweet dat hij, als moslim, zijn homoseksualiteit niet heeft verdrongen (kijk, dáár zal ik helaas nooit aan wennen) en citeer voor de rest slechts Abou Hafs: ‘Voor integratie zijn twee partijen nodig. Wij doen ons deel: we leren de taal en we werken. Voor het andere deel is het aan de autochtone gemeenschap om zich aan te passen aan óns’.Krijg dat maar eens uit je strot. Abou Hafs, die in werkelijkheid Fouad El Bouch heet, hanteert het liefst ‘de strategie van het gestrekte been’, las ik ook.Ik noem dit liever de strategie van de onbeschaamde hufter. Afgezien van het feit dat angstaanjagend veel Turken en Marokkanen alhier de taal nog altijd niet hebben geleerd en niet werken, is er nog wel een beetje meer voor nodig om een volwaardig lid van de samenleving te worden. Vertoon van dankbaarheid, ik noem maar iets. Acceptatie dat er meerdere gezindten zijn, met dezelfde rechten. Beleefdheid. Hoewel ik dat zelf nu, voor één keer, opzij zet door te stellen dat ik mij nooit, maar dan ook echt nooit zal aanpassen aan de eisen die de zo haatdragende Abou Hafs namens dat achterlijke geloof van hem aan de Nederlandse maatschappij stelt.Ik ben er, wen er maar aan.***Wij danken Rob Hoogland en De Telegraaf voor de toelating tot overname van deze column.***

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *