1208 Act 3 KA – 't Scheldt

1208 Act 3 KA

ACTUEEL 3

karelKarel Anthonissen

DE MENING VAN DE INSPECTEUR

Het kan zijn dat de inspecteur het niet eens is met uw belastingaangifte.  In het modelformulier van het bericht van wijziging van aangifte luidt het letterlijk: ‘ik meen uw aangifte te moeten wijzigen om de hierna vermelde reden(en)’.
In dat stadium van de procedure gaat het dus om een voornemen en een mening, niet van de minister, niet van de Belgische Staat, maar van de inspecteur.
Ook in een latere fase van de procedure wordt de burger geconfronteerd met standpunten over hoe de wet moet toegepast worden, die van hemzelf en zijn advocaat uiteraard, naast of tegenover die van de directeur, de rechter, het hof, of uiteindelijk het Hof van Cassatie. Het kan niet anders, en zo hoort het ook. Sommigen vinden dat allemaal nog niet genoeg en willen graag ook nog de mening van de bemiddelingsdienst weten of de prejudiciële mening van het Grondwettelijk Hof of een Europees Hof in Luxemburg of Straatsburg. Misschien wordt dat van het goede te veel, zoveel meningen.

De Europese geschiedenis heeft twee momenten gekend waar men er anders over dacht, namelijk bij de Franse en de Russische Revolutie. Er zou maar één lezing van de Wet zijn en ambtenaren en magistraten moesten niets anders doen dan die wet en de instructies nauwgezet toepassen, zonder beoordelingsmarge. In de praktijk weten we wat dat betekende. Er mocht maar één mening zijn, namelijk die van het Directoire, het Consulaat, het Politbureau, de Volkskammer, of hoe de eengemaakte ‘volkswil’ ook mocht heten.

De slinger kan ook doorslaan naar de andere kant. Dat heet dan anarchie, maar dat terzijde.

De inspecteur heeft dus een mening over hoe de Wet op een concrete situatie moet gelegd worden. Jan Nolf (op Twitter) was verbaasd dat een controleur een kost of een verlies mag aannemen zonder enig vonnis, attest, factuur of wat dan ook. Toch is dat zo. Inderdaad, de belastingdienst kan alle bewijsmiddelen beoordelen en dus ook aanvaarden, zegt de wet, met uitzondering van de eed. Daar zijn die 20 000 controleurs ook voor, om zulke beoordelingen en inschattingen te maken. Anderen vertrouwen of verdragen dan weer niet dat de inspecteur een voor hen onwelgevallige mening heeft. Zij willen dan meteen de mening van ‘de Administratie’ kennen en spoeden zich naar Brussel.
Met de Pro League hebben we zoiets meegemaakt. Dat de vraag gesteld wordt, tot daar aan toe, maar dat ‘de Administratie’ daar ook op inging en gauwgauw een mening formuleerde, zonder de mening van de inspecteur te vragen, als was hij quantité négligeable!
Een Europees commissaris schreeuwde dan weer luid dat zijn inspecteurs aan politiek deden. Want zij hadden een mening, een andere dan de zijne nog wel.
Noël Slangen
(op Twitter) formuleerde het iets zachter: ‘misschien kun je beter politiek actief worden’.
Achter deze vriendelijke en zeker goedbedoelde suggestie zit nog altijd de stelling dat overheidsfunctionarissen geen mening mogen hebben, niet in hun ambt (hun dossiers), niet over hun ambt (de werking van hun dienst) en niet buiten hun ambt (geheel andere zaken). In een omzendbrief nummer 404 van 1994 (te vinden op internet) heeft minister van Ambtenarenzaken Vande Lanotte evenwel de puntjes van de meningsvrijheid op de i gezet. Twintig jaar later moesten sommige verantwoordelijken bij Financiën daaraan herinnerd worden.

De slinger is daar namelijk al een tijdje aan het doorslaan in de richting van het ‘Directorium’. Er was een tijd dat men de miljoenen aangiften niet centraal kon behandelen. Zij lagen nu eenmaal met pakken in de kast bij die duizenden controleurs en ontvangers. Met de informaticatechnologie is dat veranderd. Deze technologie is op zich neutraal. Zij maakt toepassingen mogelijk die vroeger ondenkbaar waren, zowel in ‘centralistische’ als in ‘anarchistische’ richting. Normaal zou je dan verwachten dat de technologie neutraal wordt ingevoerd, dat ze het bestaande evenwicht tussen centraal bestuur en gewestelijke directie min of meer in stand houdt. Niets daarvan; in dit land dat nochtans op zulke evenwichten gebouwd is.

Onder de noemer ‘système de traitement intégré impôts et recouvrement (STIR)’, – een Nederlandse naam is er niet – heeft een nooit geziene centralisatie plaatsgevonden, niet van de ambtenaren en hun standplaatsen, maar van het beslissingsproces. Dat is gepaard gegaan met nogal wat deprivatie, devaluatie, degradatie, depreciatie en demotivatie van de inspecteurs in buitendienst. Hun mening wordt niet meer gevraagd. Het sluitstuk van deze operatie vond begin dit jaar plaats met de nieuwe evaluatieprocedure.
De personeelsdienst P&O van Kurt van Raemdonck ordonneerde dat haast niemand als uitzonderlijk of bovengemiddeld mocht beoordeeld worden. Bijna alle inspecteurs, en zeker die met een mening, hebben dan ook maar de beoordeling ‘voldoende’ gekregen.

Moet ik nog zeggen dat ik het daar een klein beetje moeilijk mee heb.

***

Deze column verscheen ook in Trends.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *