1193 Hfd – 't Scheldt

1193 Hfd

… Artikel 333 WIB zegt hetzelfde maar nog iets scherper. De inspecteur kan de onderzoekstermijn verlengen van drie naar zeven jaar ‘op voorwaarde dat hij de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk’.Als de inspecteur nog bankgegevens wil krijgen of nog andere vragen heeft, wil dat zeggen dat het bewijs van de ontduiking kennelijk nog niet rond is. Daarom is het voorbarig dat hij op dat moment al over belastingontduiking moet spreken.Wij kennen allemaal iemand die echt zéér boos geworden is op de fiscus. Hij heeft op radio en tv omgeroepen dat de gewestelijk directeur een ‘machtswellusteling’ was en een ‘gevaarlijk man’. In een arrest van 17 december 2013 heeft het Gentse hof van beroep de wet letterlijk opgenomen. Belastingontduiking betekent niet gewoon dat er iets verkeerd is met de aangifte. Dan spreken we van een vergissing, een misverstand of een onopzettelijke overtreding. Om van ontduiking te spreken moeten inkomsten bewust verzwegen zijn, aldus het hof van beroep. Er moet met andere woorden sprake zijn van opzet. In de strafrechtelijke betekenis van belastingfraude is er zelfs sprake van bedrieglijk opzet.Dat is nu precies het problematische in de belastingwet. Nog vóór de inspecteur zeker weet wat er aan de hand is, en of er überhaupt iets fout gebeurd is, moet hij al ‘duidelijk aanwijzen’ dat het een opzettelijke fout was, wellicht met bedrieglijk inzicht. Je moet als burger (en zeker als gekend politicus) wel een erg kalm karakter hebben om dan niet tegen het plafond te hangen. Het intentieproces is voorbarig. Het is ook niet echt productief: eerst iemand in het gezicht spuwen, een bedrieger noemen, en vervolgens alle medewerking vragen bij het verdere onderzoek.Het is intussen wel erg lang wachten op het arrest van het Hof van Cassatie in dezelfde zaak. De mogelijkheid bestaat dat ook Cassatie de wet letterlijk opneemt en oordeelt dat er bij aanwijzingen van fraude inderdaad aanwijzingen van (bedrieglijk) opzet moeten zijn. De woorden zijn wat ze zijn; de wet is nu eenmaal de wet.Toch zou een tactische en beleefde inspecteur de aanwijzingen voorzichtiger moeten kunnen formuleren, bijvoorbeeld iets in de zin van ‘wij denken dat er misschien iets niet in orde is’. Dat zou de mensen veel minder op stang jagen. Dan wordt het tijd de wet in die zin te herbekijken. Staatssecretaris voor Fraudebestrijding Elke Sleurs schreef het ook in haar beleidsverklaring: ‘De fiscus moet met de belastingplichtige een professioneel debat voeren en niet meteen de beschuldiging van fraude uiten’.De bedoeling van de hier besproken bepalingen is uiteraard dat niet zomaar bij Jan en alleman het bankgeheim opgeheven wordt of de onderzoekstermijn verlegd naar zeven jaar. Er moet selectiviteit zijn. Er moet iets bijzonders aan de hand zijn opdat de Bijzondere Belastinginspectie iemand er mag uitpikken voor meer dan een gewone controle. Maar dan moet toch niet per se vooraf het woord ‘belastingontduiking’ vallen? Dat strookt ook niet met het vermoeden van onschuld. Vandaar mijn voorstel aan de Wetgever: vervang in die teksten de woorden ‘aanwijzingen van belastingontduiking’ door ‘aanwijzingen van mogelijke onregelmatigheden’.Karel Anthonissen,

directeur van de Bijzondere Belastinginspectie ‘met verlof’

Deze column verscheen eerder in ‘Trends

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *