1154 Hfd – 't Scheldt

1154 Hfd

(‘14-‘18. Oorlog in België, Luc de Vos e.a., Uitg. Davidsfonds, blz. 39).Je zou denken, zovele miljoenen doden en honderd jaar later weten we wel beter. Maar dat blijkt niet. De heldhaftigheid wordt nog altijd fel bejubeld. Brave little Belgium is nog altijd de max. Van het Vlaamse ‘nooit meer oorlog’, niets meer gehoord. Dezelfde  Luc de Vos weet nog te zeggen: ‘Iedere bevolking, begeesterd door een nationaal gevoel, schaarde zich als één man achter haar politieke en militaire leiding’ (idem, blz. 27).Misschien moet je een afstammeling van Corsicaanse bandieten of van Kempense smokkelaars zijn om dat idealisme en militarisme maar niks te vinden. In 1798, toen de Franse Republiek voor het eerst de dienstplicht invoerde, waren onze voorouders niet enthousiast. Jongemannen, o.a. uit Berlaar en Wuustwezel, doken onder in de bossen en de heide om aan de conscriptie te ontsnappen. In de Boerenkrijg vochten zij noodgedwongen ‘voor outer en heerd’, dat wil zeggen: voor hún kerkje en voor hún lapje grond. Dat is niet hetzelfde als begeesterd door een nationaal gevoel vechten ‘voor God en Vaderland’, dat wil zeggen: voor dé Kerk en voor hét Land. Dat waren toen twee instellingen waar ze verder weinig of niets over te zeggen hadden en die vaak hun taal niet eens spraken.Ook in ’14-’18 was het met die nationale begeestering niet overal zo gesteld als Luc de Vos schrijft. In de steden was het patriottisme inderdaad zo groot dat uiteindelijk zelfs de arbeiders en de socialisten bijdraaiden. Aanvankelijk meenden zij dat dit niet hun oorlog was, maar als puntje bij paaltje kwam, schaarden ze zich achter hun natie, de bewapening en de veralgemeende dienstplicht.Op het platteland was dat anders. Het moderne natiegevoel was daar niet zo ontwikkeld, niet in Duitsland, niet in Frankrijk, en niet bij ons. Bovendien was het augustus als de oorlog uitbrak en dat is de oogstmaand. De mannen waren nodig op het veld en hadden geen tijd en geen goesting om te vechten voor andermans grond. Zoiets zag je wel niet in de tv-reeks ‘In Vlaamse velden’. In weerwil van de titel speelde die zich hoofdzakelijk af in Gent, of met Gentenaars aan het front. Zelfs in die reeks waren de boerenjongens aan het front niet zo ontwikkeld; zij vonden de oorlog maar scheisse.Ook in het boek ‘Oorlog en terpentijn’ van de bejubelde schrijver Stefan Hertmans trekt diens grootvader, een Gentse stedeling, naar de oorlog. In een dagboek beschrijft hij de heldhaftige gevechten van het Belgische leger en de vreselijke ellende achter de IJzer. Hij beschrijft zelfs de taalproblemen. Maar nergens durft hij de strijd zelf in twijfel te trekken.

Men moest nu eenmaal vechten en sterven voor het Vaderland, zó vanzelfsprekend was dat.Mijn eigen grootvader, een Kempense plattelandsjongen, was elf jaar in augustus 1914, gelukkig nog te jong voor de dienstplicht en gelukkig al groot genoeg voor de oogst. Zijn generatie Kempense boeren stelde de oorlog en het vechten voor vaderlandse grond wel in vraag.Iets oudere jongemannen waren de Hollandse grens overgedoken om aan de oorlog te ontsnappen. Voor de patriotten in Brussel, Londen of Parijs waren zij de lafaards, zij die niet via Nederland en Engeland terug naar het front wilden gaan.Twintig jaar later hadden mijn grootvader en zijn generatiegenoten weer geluk. Toen waren ze te oud voor de volgende oorlog maar nog altijd goed voor de oogst.
In hun verhalen durfden zij de vraag stellen die hedendaagse schrijvers en commentatoren nog altijd niet durven stellen.Waarom is België in 1914 niet gewoon protesterend opzij gegaan voor de Duitse overmacht? Wat zou er dan gebeurd zijn? Dan waren alvast hun oogsten niet vernield en hun paarden niet in beslag genomen door de vechtende legers. Het was toch een zaak tussen Duitsland en Frankrijk! De zoveelste revanche om grond, die Elzas-Lotharingen heette.Boeren weten wat dat is, ruzie om grenspaaltjes, ruzie om grond. Waarom zouden ze zich door den Belsch laten verplichten te vechten en te sterven voor een twist tussen den Duitsch en de Franschman? Je komt ook niet, als kleine stoere dwaas, tussenbeide in een ruzie tussen twee grote, sterke kerels, ook al lopen ze dwars over jouw veld elkaar tegemoet!Foolish little Belgium. U ziet het, beste lezer, het patriottisme en het nationalisme zijn mij zeker niet met de paplepel ingegeven.De oorlog van ’14-’18 en de volgende revanche hebben in verschillende landen nog extremere patriotten voortgebracht, die goed twintig jaar later een nog extremere oorlog hebben uitgevochten.We zijn eigenlijk nog niet klaar om de geschiedenis van de twintigste eeuw helemaal te schrijven. De meeste schrijvers, waarvan wij  hier toevallig Luc de Vos en Stefan Hertmans noemden, zijn nog te veel begeesterd door het moderne, stedelijke idealisme en patriottisme dat die oorlogen gevoed heeft.Als iemand de geschiedenis van twintigste eeuw eens helemaal wil schrijven, dan moet hij naar het platteland gaan.Dan moet hij de herinnering opzoeken van boeren die geen goesting hadden in de Groote Oorlog van hun zogenaamde vaderlanden, van Vlaanderen tot Corsica, van Oost-Pruisen tot Hongarije.Ook de mening van duizenden frontsoldaten die ter dood veroordeeld zijn of zomaar door hun eigen troepen gedood zijn omdat ze wilden vluchten – desertie heet dat dan – komt nog maar weinig in de geschiedenisboeken aan bod.Zelfs de neutralen, zoals Nederland, die vier jaar lang met afgrijzen naar die militaire waanzin gekeken hebben, zwijgen beleefd om de vaderlandse gevoelens van de helden niet te kwetsen.***

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *