1153 Ephi – 't Scheldt

1153 Ephi

Ooit ben ik een vluchteling geweest. Een zeer jonge réfugié van amper 6 jaar. Een gelukkige ook: alles wat ik in die vluchtdagen meemaakte vond ik opwindend en nieuw. Soms denk ik aan die andere jongetjes uit Syrië, Irak of Eritrea. Kinderen die tijdens een bombardement met heel hun lijf mee beven en die op een dag midden op een lege zee terechtkomen. Je kunt ook minder gelukkig zijn als jonge vluchteling.Waren ontworteling en angst mijn lot in die prille zomer van 1962?

Welnee, met de vlucht uit het Algerijnse Oran verliet ik ook de saaie middagen waar je nergens anders kon spelen dan tussen de muren van prikkeldraad die om onze flats waren getrokken. En van die drie dagen die we met moeder, zus en broer in de vertrekhal van vliegveld La Sénia doorbrachten, heb ik, op één na, alleen maar fijne herinneringen. Maar goed ook dat er onvoldoende vliegtuigen waren. Slapen op de grond in de hal was een beetje als kamperen op het strand van Aïn Témouchent. Het was er ook even druk maar wel vreemder. Waarschijnlijk door al die koffers, vogelkooien en rare winterjassen die vermoeide lijven droegen in die warme maand juni. Maar ja, je kon al zo weinig meetorsen tijdens die grote verplaatsing: een winterjas in een koffer, hoeveel ruimte neemt dat niet in?We hadden ook drie dagen lang bijna niets te eten. Ook dat was een geluk voor het graatmagere jongetje dat ik was. Die met moeite en veel tranen een hap door zijn keel kreeg en daarom wel een spuit vitaminen regelmatig in zijn bil. Helaas dook op een middag een neef op met een gigantische sandwich gewikkeld in een met vet bevlekt bruin papier. Te groot, te zwaar en natuurlijk kreeg ik hem van deze opofferneef. Ik kon wel janken. Met die sandwich in de hand liep ik naar buiten om met mijn nieuwe vriendjes op de lege taxibaan te gaan spelen, daar waar al die werkloze vliegtuigtrappen stonden. Achter een van die dingen heb ik het brood en de ham voorzichtig gelegd. Wegsmijten dat deed je toen niet met Jezus’ lichaam. Hoe moeder dit kwam te weten, kan ik nu niet met zekerheid verklaren. Ik geloof dat ik in mijn onmetelijke onschuld het zelf aan haar heb verteld. Ze werd er niet boos om. Ze was te vermoeid hiervoor. Ik meen toen op haar gezicht de sporen van een ondefinieerbare droefheid te hebben gezien. Dezelfde droefheid die ik nu in haar blik bespeur als ik weer over het boterhamincident begin.De slechte herinnering? De lange wachttijd in de rij voor het damestoilet van het vliegveld en de schrik toen we met moeder eindelijk de wc bereikten. Het was een hurktoilet dat overliep van alle sappen en materie die een vrouwelijklichaam kan produceren. Met rood als dominante kleur.Ik zie me nog opgewonden het vliegtuig betreden terwijl de zon onderging. Ik voel nog de trekkracht van het toestel in mijn rug bij het opstijgen. Maar van het landen op het vliegveld van Toulouse weet ik niets meer. Ik was vredig in slaap gevallen.***Wij danken Sylvain Ephimenco en Trouw voor hun toelating tot overname van deze column.***

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *